Het achtste boeket

Een ontroerend, hartverwarmend Valentijnsverhaal over een liefde met een boodschap...

Ik doe de deur weer dicht en draai me een slag om. Verbijsterd laat ik me langs de deur naar beneden glijden totdat ik op de mat beland. Mijn hart klopt als een bezetene. Mijn handen omklemmen het grote boeket rozen, dat me zojuist door een bezorger werd overhandigd. Rode rozen. Ik sluit mijn ogen en druk mijn neus erin om de bekende geur diep op te snuiven. Net als de afgelopen zeven jaar.

Op Valentijnsdag ontmoette ik Victor, de liefde van mijn leven. Vandaag op de kop af negen jaar geleden. We zagen elkaar en we hebben elkaar vanaf dat moment nooit meer losgelaten. We waren de jongste niet meer en dit nieuw geluk was een geschenk uit de hemel. Het jaar daarop nam Victor voor het eerst een boeket rode rozen voor me mee.
‘Ik geef je een roosje, mijn Roosje,’ zong hij voor mij. Hij nam me in zijn armen en samen neurieden we het wijsje verder, terwijl we door de kamer walsten. En zo ging het ieder jaar.

Vorig jaar nog walsten we samen onbezorgd door de kamer. Ik weet nog dat Victor me amper de tijd gunde om de rozen te schikken en dat hij tijdens het dansen zijn teen stootte tegen de poot van een stoel. Ik moest daar onbedaarlijk om lachen. Hij maakte me altijd aan het lachen met zijn rare capriolen. Toen wisten we nog niet dat het onze laatste Valentijnsdag samen zou zijn…

In april werd Victor ziek. Al snel bleek dat de artsen weinig meer voor hem konden doen. De eerste tijd deden we nog zoveel mogelijk leuke dingen. Dingen die eigenlijk op ons lijstje stonden ‘voor later’. Maar naar mate zijn conditie achteruit ging, kwam hij de deur niet meer uit. Tot het laatst zorgde ik voor hem en hij was er op zijn beurt altijd voor mij. Hij troostte me als ik mijn tranen niet in bedwang kon houden.
‘Ik weet toch waar ik naar toe mag, Rosalie,’ zei hij dan. ‘Ons afscheid is geen afscheid voor altijd. We mogen elkaar straks weerzien. De korte tijd dat we gescheiden zijn, moet jij de draad van je leven weer oppakken. Blijf niet treuren om mij. Beloof het me.’

Blijf niet treuren om mij… Zijn woorden echoën nog na. Nu ik echt alleen ben, weet ik pas goed hoe moeilijk het is om die draad weer op te pakken. De pijn die Victor leed was op het laatst ondraaglijk. Ik weet dat hij het nu veel beter heeft, daar op de plek waar geen pijn is. Ja, voor hem heb ik er vrede mee. Maar voor mezelf… iedere dag voel ik de pijn van het alleen-zijn tot op mijn botten. Zonder Victor is de fleur er af. Ik heb nergens meer zin in. Ik ril bij het idee om op de ontactische uitnodiging van mijn vriendin in te gaan. Een dinertje, vanavond bij haar thuis. Uitgerekend op Valentijnsdag.
Die afspraak met Maria ga ik straks gewoon afzeggen, neem ik me opstandig voor, zelfs al is het kort dag. Dat moet ze maar begrijpen.

Dan open ik mijn ogen weer en zie nu pas de envelop die aan de stengel van één van de rozen bungelt.
Met trillende handen maak ik de envelop los van de steel. Het is zo onwerkelijk om juist vandaag een bos rode rozen te ontvangen. Ik draai de envelop om en om, maar aan de buitenkant is niets te zien. Mijn handen beven nog steeds als ik de envelop open scheur en de kaart eruit haal. Het handschrift en de woorden op het kaartje benemen me voor even de adem.

Ik weet niet hoe lang ik daar bijna ademloos gezeten heb op de koude deurmat voordat ik, stram geworden, weer overeind krabbel. Mijn benen prikken van de onhandige houding die ik had aangenomen. Het boeket zet ik, met het papier er nog om, in een vaas met wat water en trek er voorzichtig één roos tussenuit. Daarna pak ik mijn jas van de kapstok, stop de kaart in mijn jaszak en trek even later de deur achter me dicht.

De zon komt af en toe achter de wolken tevoorschijn, maar ze is nog niet krachtig genoeg om mijn inmiddels ijskoude handen en wangen te verwarmen. Nog even en dan zal zij weer knoppen aan de nu nog kale bomen toveren. Her en der staan al wat sneeuwklokjes als voorbode van de lente. De eerste lente zonder mijn lief. Ik haast me naar de plek waar ik moet zijn. Ook vlakbij de plek waar Victor ligt, bloeien uitbundig de sneeuwklokjes. Het is zo wrang, dit nieuwe leven hier op de stille begraafplaats.. .
De tranen die toch weer over mijn wangen rollen, dep ik weg met een zakdoekje, dat ik opdiep uit mijn jaszak. En dan voel ik ook het kaartje weer. Het kaartje dat de reden was, waarom ik hier gekomen ben. De rode roos, die ik nog steeds in mijn hand heb, leg ik voorzichtig op het graf en sla daarna de kaart open en lees, hardop nu, de woorden. Victors woorden:

Allerliefste Rosalie,
Als je dit boeket rozen ontvangt, ben ik er niet meer. Ik weet hoe zwaar dit je valt. Beloof me, mijn liefste, wentel je niet in je verdriet. Herinner je de kostbare momenten en koester ze. Maar ga verder met je leven. Er zijn mensen om je heen en bovenal een Vader die voor je zorgt. Weet dat eens de dag komt dat we elkaar weer ontmoeten. Bij Hem.
Adieu.
Je Victor

Een glimlach verdringt mijn tranen. Mijn eerste schok om in zijn handschrift nieuwe woorden te lezen, heeft inmiddels plaatsgemaakt voor verwondering en blijdschap. Dit gebaar is zo typisch Victor. Zelfs toen hij wist dat hij ging sterven, heeft hij in zijn bezorgdheid om mij dit nog weten te regelen. Hij wist immers maar al te goed hoe ik in elkaar zit. Zijn schrijven brengt me even heel dichtbij hem. Alsof hij mij de woorden zelf influistert. Woorden van moed, van vertrouwen, waar het me juist zo vaak aan ontbreekt. Maar ook woorden van aansporing: Ik moet verder met mijn leven, hoe moeilijk het ook is. Lieve, lieve Victor…
De kerkklok slaat luid en duidelijk haar uren en schrikt mij wakker uit mijn gedachten. Vijf slagen tel ik. Vijf uur al. ‘Bedankt, Victor,’ fluister ik schor, voordat ik de plek verlaat. ‘Tot ziens.’
Ik weet zomaar wat me te doen staat.

Maria valt me in de armen. ‘Wat goed dat je gekomen bent,’ zegt ze. ‘Ik was zo bang dat je zou afzeggen. Het is immers een bijzondere dag voor je. Een verdrietige ook.’
Ik slik en slik, maar ik kan het niet meer tegen houden. Een stortvloed van tranen baant zich een weg naar buiten. ‘Ik heb… ik heb een boeket rozen gekregen…’ snik ik.
‘Stil maar. Dat komt straks, ‘ zegt Maria. ‘Huil maar, het zal je opluchten.’ Ze zet een doos tissues naast me op de bank en loopt naar de keuken.

Als Maria even later de kamer binnenkomt, ben ik alweer wat gekalmeerd. De huilbui heeft me inderdaad goed gedaan.
‘Je hoeft me het verhaal van de rozen niet meer te vertellen,’ zegt ze. ‘Ik ben al op de hoogte.’
Vragend kijk ik haar aan.
‘Vlak voordat hij stierf heeft Victor mij de envelop overhandigd en me gevraagd om op deze dag bij jou een boeket rozen te laten bezorgen met zijn envelop. Vandaar ook mijn uitnodiging vandaag aan jou.’
Ik kijk haar beschaamd aan. Ze moest eens weten hoe ontactisch ik haar uitnodiging in eerste instantie vond… En nu, wat ben ik blij met haar.
Maria slaat haar armen om me heen. ‘Je hoeft het toch niet alleen te doen, Roos.’
Ik glimlach en knik.
Je hebt gelijk, Victor, denk ik, zo ontzettend gelijk. Hoewel het geen makkelijk boodschap is, had je me geen betere kunnen nalaten.

Reageren

Reacties

Deel dit verhaal:

Geschreven door:

Zoeken:

Populaire berichten

Kaarsjes:
Bekijk meer kaarsjes
Steek zelf een kaarsje aan
Kaars