Hoog spel

Het spannende, korte verhaal 'Hoog Spel' van Irma verscheen eerder in de verhalenbundel ‘Een avond in Parijs’.
Een Franse verzetsstrijder wordt voor een sabotageopdracht gekoppeld aan een Franse femme fatale…

Bordeaux – januari 2014
Het is al jaren geleden dat de oude schoenendoos werd geopend. De stofvlokken die er vanaf dwarrelen, nu ik de bewuste doos eindelijk weer tevoorschijn heb gehaald, vormen daarvan het bewijs.
‘Ga je gang,’ spoor ik Luc, mijn kleinzoon, aan terwijl ik hem de doos aanreik. Als hij het deksel heeft verwijderd, begint hij enthousiast tussen de foto’s te snuffelen. Hij is op zoek naar kiekjes van zijn moeder, mijn dochter.

Ik kan het niet nalaten om over zijn schouder mee te kijken. De meeste plaatjes toveren een glimlach op mijn gezicht. Het mag dan lang geleden zijn dat ik ze gezien heb, ik ken alle foto’s met de bijbehorende verhalen van haver tot gort.
Het stapeltje dat Luc op tafel verzamelt, wordt steeds groter.
‘Die presentatie op hun veertigjarig huwelijksfeest gaat vast een succes worden,’ zucht hij tevreden. Opeens fluit hij waarderend tussen zijn tanden.
‘Fjuut, fjuut, opa!’ Luc wappert met een kiekje voor mijn ogen. ‘Wie is die mooie dame?’
Even ben ik sprakeloos. De jonge vrouw kijkt mij met een stralende, ietwat uitdagende lach aan.
Brigitte… Ze is zo levensecht dat ze me met haar blik de sepia-kleurige foto binnenzuigt. Terug naar het Parijs ten tijde van de oorlog. De tijd, waarin ik in één klap volwassen werd…

Parijs – juli 1942
Een hevig rumoer klinkt op vanuit de straat en doet mij al vroeg ontwaken. Slaapdronken stap ik mijn bed uit. In de woonkamer van onze kleine portiekwoning, tref ik tot mijn verbazing mijn moeder aan met een mij onbekend meisje, dat hartverscheurend huilt. Pas na uren kalmeert het meisje en valt uitgeput op haar schoot in slaap. Eindelijk kan moeder vertellen wat er gebeurd is.
Ook zij bleek die morgen, nog eerder dan ik, wakker geschrokken te zijn door het lawaai.
Stilletjes was ze naar beneden geslopen en had voorzichtig om het hoekje van de deur gekeken. In één oogopslag had ze het tafereel, dat zich buiten afspeelde, in zich opgenomen: Commanderende
soldaten, burgers in totale verwarring, paniek… Dit moest een razzia zijn, had ze instinctief geweten.Echter, net voordat ze vlug de deur weer wilde sluiten, zag ze, in elkaar gedoken tegen de muur naast onze portiekdeur, een hevig snikkend meisje van een jaar of twaalf. Zonder verder na te denken had ze het meisje naar binnen getrokken. Zo had ik hen daar aangetroffen.

Ik had me altijd al geërgerd aan de Duitse bezetter, die in 1940 ons land onder de voet had gelopen,
doch niet dermate, dat ik het voorstel van mijn beste vriend Marc om in het verzet te gaan, serieus nam. Ik dacht toen nog dat het allemaal zo’n vaart niet zou lopen en daarbij vond ik mezelf nou niet echt het prototype verzetsheld. Maar na deze dag, waarvan we later vernamen, dat er duizenden Joden waren opgepakt, samengedreven in het Véledrome d’Hiver en uiteindelijk naar Auschwitz gedeporteerd, wist ik dat er iets moest gebeuren. Deze verschrikkelijke gruweldaad van de bezetter, nota bene uitgevoerd met medewerking van onze eigen Parijse politie, schudde mij letterlijk én figuurlijk wakker. Mijn eerdere ergernis tegen de bezetter, de collaborerende politie en onze Vichy regering, sloeg radicaal om in regelrechte haat. Weg was mijn twijfel; ik nam contact op met Marc en sloot me aan bij zijn verzetsgroep.

Parijs – oktober 1943
‘Dit is Brigitte, mannen, zij komt ons team versterken. Haar kennis zal ons goed van pas komen, want ze heeft een aantal jaar voor onze nationale spoorwegen gewerkt.’
We zitten met onze verzetsgroep van vier man sterk bij elkaar in een klein kamertje in een achterafstraatje van Parijs, waar we onze zoveelste sabotageactie voorbereiden. Wij vieren weten precies wat we aan elkaar hebben. Met succes hebben we al een aantal sabotageacties tegen de spoorwegen uitgevoerd.
Verbaasd staren we naar de knappe jonge vrouw, die aan ons geïntroduceerd wordt door François.
Argwanend neem ik Brigitte op. Waarom moet zij zo nodig onze groep komen versterken? Ze is een prachtige vrouw, dat zag ik direct, maar dat feit doet mijn argwaan alleen maar groeien. Wat heeft zij in vredesnaam te zoeken bij het verzet? Ik weet wel dat we iedereen kunnen gebruiken, maar zo een mooie madam… Laat ze de gewonde soldaten in het hospitaal opfleuren of zo.
Als ik haar blik ontmoet, voel ik dat ik een kleur krijg en zie haar rood gestifte lippen ombuigen in een spottend lachje. Het lijkt wel of ze mijn gedachten kan lezen. Snel kijk ik de andere kant op en concentreer me op wat François ons te melden heeft. Hij schijnt niets van onze confrontatie gemerkt te hebben.
‘Dus,’ besluit hij na enige tijd zijn verhaal, ‘jullie weten wat je te doen staat?’
We knikken allemaal instemmend.
‘Het zal wel even wennen zijn om deze opdracht dit keer samen met een andere maat te doen,’ zegt François tegen mij en knipoogt veelbetekenend naar Brigitte.
‘Ik wil wel met je ruilen,’ biedt Marc gedienstig aan.
‘Daar komt niets van in,’ bromt François. ‘Ik wil geen trammelant.’
Dat kan er nog wel bij, denk ik, er behoorlijk de smoor in hebbend, maar ik weet dat protesteren geen zin heeft; François duldt geen tegenspraak.
‘Zullen we samen oplopen?’ stelt Brigitte mij voor, als we vertrekken, ‘dan kunnen we meteen nader kennis maken.’
‘Waarom niet?’ Gemaakt nonchalant haal ik mijn schouders op en pluk onze jassen van de kapstok.
Het is stil en donker op straat; de straatlantarens branden niet. We moeten voortmaken, de avondklok gaat bijna in. Ik huiver licht en als ik merk dat Brigitte zich ook niet op haar gemak voelt, bied ik haar mijn arm aan. Dankbaar haakt ze in.
‘Zo lijken we net een stel en wekken we minder argwaan,’ verklaar ik, enigszins nerveus.
Ze lacht zachtjes. ‘Ik zal er echt niets achter zoeken, hoor.’
Ik ben blij dat het donker is en ze de kleur die mijn wangen weer bedekt, niet kan zien. Met mijn amper twintig jaren, heb ik niet veel ervaring met vrouwen. Ik schat Brigitte een paar jaar ouder en bij haar vergeleken voel ik me een broekie.
‘Wat vind je van je nieuwe maatje?’ haalt ze mij uit mijn overpeinzing. Verbeeld ik het me, of klinkt het een tikje plagend?
Ik haal mijn schouders op, maar realiseer me dan dat ze dat ook niet kan zien.
‘Laat me raden: je vindt het maar niets dat je dit klusje samen met een vrouw moet klaren.’
Weer ben ik blij met de duisternis, ze schiet immers midden in de roos met haar conclusie. Ik besluit er niet langer omheen te draaien.
‘Was ik zo doorzichtig?’
‘Je gedachten waren duidelijk van je gezicht af te lezen.’
‘Mmm… dat spijt me,’ geef ik schoorvoetend toe.
‘Dit is heus niet mijn eerste klus. Ik ga je niet alles vertellen, maar ik heb veel kennis van zaken. Neem dat maar gerust van mij aan.’
‘François geeft in ieder geval hoog van je op. Misschien had ik inderdaad niet zo snel met mijn oordeel klaar moeten staan. Maar…’ Ik aarzel.
‘Wat, maar?’
‘Laat maar.’
‘Nu wil ik het weten ook,’ dringt Brigitte aan.
‘Oké dan, ik vind je veel te mooi en kwetsbaar om verzetswerk te verrichten.’
Ze schiet in de lach. ‘Moet ik dat als compliment beschouwen of juist als een belediging?’
Ze knelt haar arm extra stevig om die van mij. Ik voel me warm worden van binnen.
‘Beschouw het maar als een compliment,‘ flap ik er dan zomaar uit, terwijl ik me verbaas over mijn lef.
Zwijgend lopen we verder, maar het is geen onaangenaam zwijgen.
‘Vanaf hier is het nog maar een klein stukje naar mijn huis. Ik red het verder wel,’ zegt ze onverwachts.
Ik ruik haar parfum en voel dan de zachte druk van haar lippen op mijn wang. Voor ik iets terug kan zeggen, is ze al verdwenen.

Omdat ik op mijn zusje moet passen, hebben Brigitte en ik die middag bij mij thuis afgesproken om de details van de opdracht verder door te nemen.
Evette en ik wachten in spanning op haar komst. Evette is vanaf die veelbewogen dag dat zij door moeder bij ons in huis werd genomen, onze deur niet meer uit geweest. Bezoek hebben we
sindsdien ook nooit meer ontvangen. Het is lang geleden dat zij iemand anders dan mij en moeder heeft gezien.
Ik ben haar als mijn zusje gaan beschouwen. De periode na haar komst, was ontzettend moeilijk voor ons, maar bovenal natuurlijk voor Evette. Het heeft een paar dagen geduurd voordat ze ging praten over die ochtend. Hortend en stotend heeft ze ons uiteindelijk verteld hoe de deur bij haar thuis werd ingetrapt. Hoe haar vader, moeder en twee broertjes werden meegesleurd door soldaten en hoe ze zelf ternauwernood via de achterdeur wist te ontkomen, een steeg was in gerend en uiteindelijk door moeder hier naar binnen werd getrokken. Nog elke dag zie ik haar pijn en verdriet, dat zich zo duidelijk aftekent op haar jonge gezichtje.
De dag nadat zij bij ons in huis kwam, ben ik poolshoogte gaan nemen in de wijk waar Evette, haar ouders en broers waarschijnlijk woonden. Er stonden verschillende panden leeg. Bij navraag in de buurt kwam ik te weten dat veel Joodse bewoners de vorige dag waren meegevoerd en dat er nog niemand was teruggekeerd.
Moeder heeft toen direct besloten de zorg voor Eva voorlopig op zich te nemen. Vanaf die tijd noemen we haar geen Eva meer, ze luistert nu naar de meer Franse naam Evette. Zodra het mogelijk is, zo hebben we haar beloofd, gaan we op zoek naar haar familie.
Als de bel gaat, hoef ik haar al niet meer aan te sporen om de deur te openen. Ik glimlach om haar enthousiasme.
‘Vergeet niet dat je gewoon mijn zusje bent,’ help ik haar nog eens herinneren.
Ze knikt. Ze is op de hoogte van het risico dat ze loopt zodra er iemand achter haar ware identiteit komt. Maar moeder gunde het haar zo om haar, per hoge uitzondering, kennis te laten maken met deze jonge vrouw. Als er iemand te vertrouwen is, dan toch wel een verzetsvrouw. Toch hebben we afgesproken om Brigitte niet op de hoogte te stellen van de achtergrond van Eva. Ze is gewoon mijn zusje.
Brigitte en Evette kunnen het vanaf minuut één uitstekend met elkaar vinden. Met z’n drieën spelen we een spelletje ‘mens-erger-je-niet’ aan de keukentafel. De twee dames weten precies hoe ze mij geërgerd krijgen en binnen no-time vegen ze met hun pionnen de mijne van het bord.
‘Sommige mannen denken dat vrouwen niet strategisch zijn,’ grapt Brigitte, terwijl ze mij een knipoogje geeft.
Als we met blozende wangen ons limonadeglas heffen op de overwinning van Evette, komt moeder binnen. Nadat ze kennis heeft gemaakt met Brigitte, gaan zij en Evette naar de woonkamer, zodat Brigitte en ik serieus aan de slag kunnen.
‘Wat een lief kind is jouw zusje,’ complimenteert Brigitte mij. ‘Maar wat een tegenpolen zijn jullie, zijmet haar donkere krullen en jij met je blonde stekelkop…’
Ik grinnik. ‘Ik ben dol op haar. Maar waag het eens wat te zeggen over mijn kapsel.’
Zachtjes strijkt ze over mijn stekels.
‘Het voelt heerlijk, maar het viel me zomaar op.’
‘Mijn moeder is een blondine, maar mijn vader was heel donker,’ zeg ik, terwijl ik iets moet wegslikken.
‘Ik ben enig kind, tot mijn spijt.’ Verlangend kijkt ze over haar schouder richting de woonkamer. ‘Ooit wil ik zelf een groot gezin.’
‘Maar dat lieve kind heeft ons ondertussen mooi van ons werk gehouden,’ zeg ik snel, om van het onderwerp af te stappen.
De week daarop komen we nog eens bij elkaar om de laatste puntjes voor de opdracht op de i te zetten. Er blijft ook nog tijd over voor een spelletje. Ik weet niet wie er meer geniet: Brigitte of
Evette. Of… geniet ik eigenlijk stiekem zelf het meest?
Mijn eerdere aversie tegen Brigitte is inmiddels gesmolten als sneeuw voor de zon en dat niet alleen. Als ik maar aan haar denk, voel ik de beruchte vlinders fladderen in mijn maagstreek. Ik kan er niet omheen: ik ben verliefd. Maar het kan niet, het is oorlog. We moeten ons hoofd er goed bij houden. We kunnen ons niet veroorloven om fouten te maken, er staan mensenlevens op het spel. Toch slaag ik er desondanks niet in om mijn gevoelens voor haar een halt toe te roepen.

Zenuwachtig sta ik op de afgesproken, onopvallende plek te wachten op Brigitte. Het is een uitstekende avond voor onze actie. Het is koud en extra donker doordat het net nieuwe maan is. Ik
huiver in mijn dunne jack. Mijn hart maakt een sprongetje als ik haar silhouet voorzichtig zie naderen. Weer lijkt ze absoluut niet op een stoere verzetsheld. Maar ik weet wel beter nu. Het is
een pientere vrouw die haar zaakjes goed op orde heeft en weet wat ze wil. Ik heb mijn mening over haar grondig moeten bijstellen.
‘Is alles gelukt?’ fluister ik.
‘Natuurlijk. Ik heb alles bij me en heb de details in mijn hoofd geprent. En jij?’
Ik knik. Ook ik kan het scenario wel dromen. Toch ben ik nog steeds nerveus. Vlak voor een opdracht ben ik dat altijd. De adrenaline pompt door mijn aderen, maar zorgt er ook voor dat ik extra alert ben. Ik merk aan Brigitte dat ze ook gespannen is.
‘Oké, laten we dan maar gaan.’
We mogen ons, als burgers, na de avondklok niet meer op straat begeven. Daarom hebben we nauwkeurig onze route uitgestippeld langs rustige straatjes met veel kleine steegjes, die kunnen
dienen als schuilplaats voor het geval er gevaar dreigt. We lopen vlak achter elkaar, dicht langs de muren van de gebouwen en staan bij iedere kruising stil om te kijken of de kust veilig is. Vlak voor we de stad uit zijn, horen we twee soldaten naderen. Ze zijn nogal luidruchtig, waarschijnlijk hebben ze meer gedronken dan goed voor hen is. Snel schieten we een steegje in, lopen zo ver mogelijk door en drukken ons stijf tegen de muur. Mijn adem stokt als de twee mannen de steeg in lopen waar wij ons schuilhouden. Ze houden stil en urineren tegen de muur. Ik hoor ze lachen en lallen.
Gelukkig, ze hebben geen oog voor ons en mede door de duisternis, signaleren ze ons niet. Langzaam sterft hun geluid weer weg.
‘Kom, gauw. Ze zijn weg.’
Het blijft opvallend rustig in de straatjes. Waarschijnlijk vinden zelfs de soldaten het te onaangenaam om zich buiten op straat te begeven. Zonder verder oponthoud laten we de stad achter ons en komen precies op de afgesproken tijd aan bij het spoor. De plek is gelukkig omgeven door bomen en biedt ons op die manier de nodige bescherming. Onze opdracht vanavond is om dynamiet onder het spoor aan te brengen en het daarna, vlak voordat de trein arriveert, tot explosie te brengen.
Hoewel ik mezelf langzamerhand een ervaringsdeskundige mag noemen, voel ik de spanning verder stijgen. We kijken nog eens goed om ons heen.
Dan fluistert Brigitte plotsklaps: ‘Snel!’
Voor ik het goed en wel besef wat er aan de hand is, trekt ze me mee, dieper de bossen in.
‘Plat op je buik,’ gebiedt ze, ‘onraad!’
Mijn hart bonkt als een wilde. Dichtbij elkaar liggen we daar, verscholen tussen de struiken in het pikdonkere bos.
Dan hoor ik voetstappen naderen en zachte stemmen. Slechts een paar meter bij ons vandaan, houdt het stil en ontwaar ik vaag twee schimmen.
‘Hier moet het zijn,’ hoor ik zeggen.
‘Ik zie niemand,’ klinkt een andere mannenstem.
Voorzichtig sla ik mijn arm om Brigitte. Haar zelfverzekerdheid lijkt totaal verdwenen. Ik voel hoe ze trilt.
‘Wat vreemd. Misschien is er iets gebeurd,’ hoor ik weer.
Deze mannen zijn duidelijk van een heel ander kaliber dan de twee lolbroeken van daarnet. Ze nemen hun taak uiterst serieus.
Dan klinkt het plots hard door de stille nacht: ‘Hallo?’
En nogmaals, iets luider nu: ‘Hallo, Brigitte… ben je daar?’
Er gaat een schok door me heen. Onder mijn arm voel ik hoe ook Brigitte in elkaar duikt.
‘Brigitte?’ klinkt het weer.
Een lichtflits zoeft vlak over ons heen. Ik houd mijn adem in.
‘Ze is er niet,’ wordt er geconstateerd.
De twee mannen blijven staan. Ik hoor ze zachtjes praten, maar kan niet goed verstaan wat ze zeggen.
Weer flitst het licht rond. Het angstzweet breekt me uit. Het zijn de langste minuten van mijn leven. Dan hoor ik langzaam maar zeker de voetstappen van ons vandaan lopen. Voorzichtig til ik mijn hoofd op en zie dat de mannen inderdaad vertrokken zijn.
Nog een paar minuten blijven we doodstil naast elkaar liggen op het koude, vochtige mos. Dan gaan we overeind zitten en begint Brigitte heel zachtjes te praten.
‘Het spijt me,’ klinkt het timide, terwijl er tranen over haar wangen stromen.
‘Wat gebeurt hier allemaal?’ vraag ik en ik hoor zelf hoe afstandelijk mijn stem klinkt. ‘Ik snap er werkelijk niets van. Wie waren die mannen?’
‘Dat waren twee politiemannen van het Parijse politiekorps. Zij controleren het spoor.’
‘Zoiets kon ik ook nog wel verzinnen,’ zeg ik cynisch. ‘Maar waarom riepen ze jouw naam?’
Beschaamd laat ze haar hoofd hangen. ‘Dat is een lang verhaal,’ fluistert ze. ‘Maar je verdient een verklaring.’
‘Dat kun je wel zeggen,’ stel ik, nog steeds gegriefd, vast.
Dan begint ze te vertellen en ik luister zonder haar nog in de reden te vallen.
‘Mijn vader bekleedde een hoge positie bij de politie in Parijs en omdat ik werkzaam was bij de nationale spoorwegen, eiste hij van mij dat ik zou helpen bij het opsporen van sabotageacties
rond het spoor. De acties vormen immers een steeds groter probleem voor de Duitsers.
Eerst weigerde ik, maar toen mijn vader door een aantal verzetsmensen werd geëxecuteerd, vond ik dat dit het minste was dat ik nog voor hem kon doen en tevens was het mijn ultieme manier om
wraak op de moordenaars van mijn vader te nemen. Ik meldde me aan en werd klaargestoomd als infiltrant.
Daarna werd ik in contact gebracht met François, die dolgraag een extra teamlid in zijn groep wilde opnemen. Tot zover liep mijn eerste opdracht dus gesmeerd. Totdat ik aan jou gekoppeld werd.’
Even valt een stilte.
‘Ik vond jou direct bijzonder. Jij reageerde niet zoals de meeste mannen, die mij alleen om mijn uiterlijk bewonderen. Met je wantrouwende blik veroverde je, zonder dat ik het wilde, mijn hart. En dat werd alleen maar erger. De middagen bij jou thuis met je moeder en je zusje. Je zorgzaamheid voor hen, voor mij… Laat ik het maar eerlijk toegeven: ik heb bepaalde gevoelens voor je ontwikkeld.’
Ze zucht eens diep.
‘Een beetje flirten kon geen kwaad, dacht ik eerst nog, maar voor de rest wist ik dat het niets tussen ons kon worden. Jij was mijn vijand en ik moest een belangrijke opdracht uitvoeren. Het ging uiteindelijk niet om deze opdracht samen met jou, het ging erom dat ik jou deze avond zou moeten verraden. Het plan was dat wij door die twee mannen die hier net waren, op heterdaad betrapt zouden worden.
Maar weet je, Clement, ik kon het niet. Ik realiseerde me dat heel die rotoorlog één strategisch machtsspel is, waarbij de pionnen, naar believen, kunnen worden verplaatst of zelfs weggeveegd…
Mijn vader leeft niet meer en na zijn dood ben ik te weten gekomen dat er veel bloed aan zijn handen kleeft. Al die Joodse gezinnen, daar vlakbij jullie in de buurt… hij heeft geen enkele poging gedaan om het tegen te houden. Dat knaagt aan mijn geweten. Vooral na Evette.’
Ze slikt en slikt.
Een wirwar van emoties trekt door me heen. Wat ze vertelt, is zo heftig. Ik kan het allemaal nog niet bevatten, laat staan verwerken.
‘Evette is niet echt je zusje, toch? Is zij één van de Joodse kinderen uit jullie wijk?’
Intens verdrietig knik ik. ‘Eva kon vluchten, maar haar ouders en broertjes zijn weggevoerd.’
‘Ik vermoedde het al, al heb ik het er nooit met iemand over gehad. Ik houd van jou en ik houd ook zielsveel van Evette. Het voelt als mijn schuld, wat haar is overkomen. Jullie nogmaals verraden kon ik niet. Dus besloot ik op het laatste moment om hoog spel te spelen; één zet van een pion kan immers het spel volledig omgooien.’
Ze pakt een fotootje van zichzelf en schrijft iets op de achterkant.
‘Ga naar François en stel hem zo snel mogelijk van dit alles op de hoogte.’
Ze overhandigt me de foto en drukt hartstochtelijk haar lippen op die van mij. ‘Ga nu! Snel! Ik moet nog iets regelen.’

Bordeaux – januari 2014
Als ik het fotootje omdraai lees ik in haar handschrift: Voor altijd jouw pion.
Ik voel een hand op mijn schouder en kijk in de ogen van mijn kleinzoon.
‘Heb je haar ooit nog gezien, opa?’
Ik schud mijn hoofd.
‘Terwijl ik door het bos naar huis liep, keek ik achterom en zag haar de andere kant oplopen. De tweemannen kwamen haar tegemoet. Ze hielden stil en nog geen drie minuten later hoorde ik een schot.’
‘Brigitte?’
Ik knik terwijl een traan langs mijn wang rolt.

Reageren

Reacties

Deel dit verhaal:

Geschreven door:

Zoeken:

Populaire berichten

Kaarsjes:
Bekijk meer kaarsjes
Steek zelf een kaarsje aan
Kaars