MENUMENU

Dovemansoren (kort verhaal)

Schrijfster Conny Hoogendoorn verrast ons weer met een kort verhaal. Heerlijk om vanavond zelf te lezen of bij een vuurkorf voor te lezen.

In haar cocon van stilte zit ze midden op het drukke laadperron. Volledig uitgeteld. Breeduit op de nieuwe bedbank van haar zoon. Waar zij een grote vlek uit moet zien te krijgen. Ze schudt glimlachend haar hoofd. Wat had ze zich weer om zijn vinger laten winden. Het lukt hem altijd weer. Om haar heen staan karren vol felbegeerde aanwinsten. De opruiming is in volle gang. Koopjesjagers wachten tot hun auto uit de parkeergarage opduikt. Kinderen trekken aan hun moeders arm. Jengelen en zeuren. Dana ziet een man ongeduldig naar zijn vrouw gebaren. Ze dient hem stevig van repliek. Gezellig, even naar de IKEA, denkt ze. Er wordt naar haar gegrijnsd. Ze lacht maar wat schaapachtig terug. Wat ze eigenlijk roepen, hoort ze niet.
Een normaal bed had wel in hun auto gepast, maar voor dit bakbeest hadden ze toch iets groters nodig. Julian had een vriend gebeld.
‘Geen probleem, mam. Ik mag zijn busje lenen. Maar dan ben ik best een poos weg.’
‘Ga maar’, had ze gebaard. ‘Ik wacht wel.’
Hij had zijn duim opgestoken. ‘Je bent een schat, mam.’ Een kus op haar wang en weg was hij.

Vlak bij de kassa had hij zijn hand op haar schouder gelegd en gewacht tot ze zich had omgedraaid.
‘Mama, zullen we daar nog even kijken?’ Hij had naar een uithoek van het immense gebouw gewezen. Ze had onvoldoende energie overgehad om te protesteren en was achter hem aangesjokt.
‘Hoe vind je deze, mam? Vette kleur!’ Hij had bijna gedanst, haar zoon. ‘Ze prijzen hem hartstikke af! Zie je dat? Zo’n bedbank is veel gaver dan een gewoon bed toch?’
Dinsdag wordt hij negentien. Volgende week woont hij niet meer thuis, maar in zo’n studentenhuis in Utrecht. Hij heeft besloten doventolk te worden. Liplezen kon hij als klein ventje al als de beste. Ze zou trots moeten zijn, ís ze ook, maar ze is bang voor de toekomst. Ze steunt zo op hem sinds Arend er niet meer is. Niet alleen de gezelligheid, maar ook zijn oren zal ze missen. Ze wil hem er niet mee lastig vallen. Hij heeft er zo veel zin in. Als een kind zo blij.
Ze had naar de zijkant gewezen waar een grote zwarte vlek had geprijkt.
‘Ach mam, die krijg jij er heus wel uit. En anders …’ Hij had zich over de leuning gebogen. Ze kon hem niet meer verstaan. Het was haar beurt om haar hand op zijn schouder te leggen.
‘Sorry, mam! Ik zei dat ik die kant anders wel tegen de muur kan zetten.’
Ze had met haar wijsvinger tegen haar slaap getikt, wat hem breed had doen grijnzen.
‘Reserveren kan helaas niet’, had de verkoper gezegd. ‘De Koopjeshoek betekent direct meenemen.’

Voor haar stapt een oude man voortdurend van zijn ene op zijn andere been. Als hun blikken kruisen, klopt ze naast zich op de zitting. Zijn gezicht klaart op.
‘O, mevrouw, dank u wel. Wat vriendelijk van u! Ik ben doodmoe. Stilstaan kan ik niet zo goed. Dan gaan mijn benen steken. Heel apart. Ik moet gewoon in beweging blijven. Mijn hondje vindt het niet erg, maar mijn vrouw snapte dat nooit als ze etalages wilde kijken.’
Met een knikje beantwoordt ze zijn trieste glimlach. Ze moet goed opletten. Hij praat wat binnensmonds.
‘Ze is er niet meer. Mijn vrouw, bedoel ik. Bijna eenenzestig jaar waren we onafscheidelijk. Geen nacht zonder elkaar. Tot de Here besloot haar bij zich te roepen. Ze is lang ziek geweest. Godzijdank heeft ze niet geleden. Op het eind, bedoel ik. En mijn dochter zorgde zo goed voor haar. Ze zal nu niet zo veel meer komen, denk ik. Nu mijn vrouw er niet meer is, snapt u. Een schatje is het. Dat stemt me dankbaar. Ja, dat stemt me dankbaar. ’
Hij valt stil. Zijn hand gaat langs zijn ogen.
‘Bijna eenenzestig jaar, mevrouw. Bijna eenenzestig jaar. Zaterdag ga ik verhuizen. Alleen gaat niet meer zo. Ik zorg niet goed voor mezelf, zeggen mijn kinderen. Dat is misschien wel waar. Mijn dochter trekt voorlopig in mijn huis. Tot het verkocht is. Mijn hondje blijft bij haar wonen. Ze gaat bij haar man weg, weet u. Hij heeft een ander. Niks dan narigheid. Ze vechten niet meer. Dat is het. Ze vechten tegenwoordig niet meer. Het is niet meer zoals vroeger, mevrouw. Niet meer zo als vroeger.’ Hij trekt een zakdoek uit zijn zak en snuit zijn neus. ‘Ons grote bed past niet in mijn kamer in het woonzorgcentrum. Rare naam, vindt u niet. Noem het toch gewoon een bejaardentehuis, want dat is het. Het is zo klein, mevrouw, er is amper …’
Hij kijkt weg, propt de lap weer in zijn zak. Als ze haar hand op zijn mouw legt, kijkt hij haar weer aan.
‘… tafel en mijn tv. Denkt u dat ik nog kan wennen aan een nieuw bed? Na eenenzestig jaar?’
Ze haalt vragend haar schouders op en klopt op zijn arm.
‘Ik heb er helemaal geen zin in.’ Met bolle wangen laat hij zijn adem ontsnappen.
‘O, mijn zoon. Direct toeteren, hè. Hij is een opgewonden standje. Net als zijn moeder. Maar ja, ik ben allang blij. Mijn dochter kon niet mee. Zij moest zelf spullen kopen. En ze kan zo’n bed natuurlijk niet tillen. Dat begrijp ik wel. Dat begrijp ik wel.’
Met moeite komt hij overeind en loopt weg. Dan aarzelt hij en draait zich om.
‘Dank u wel, mevrouw. U bent een goed mens. Niemand luistert tegenwoordig nog. U nog wel. Heel bijzonder.’
Ze glimlacht. Achter de oude baas heft de zoon zijn handen ten hemel. Hij roept iets.
‘Hoort u nu wel?’ verzucht hij. ‘Net zijn moeder.’
Nee, denkt ze, ik hoorde het niet. Maar dat geeft niet. Ik snap het wel. Groetend steekt ze haar hand in de lucht.

Zo triest, hij heeft helemaal niets meer, bedenkt ze zich. Zelfs geen hondje meer straks. Maar eenenzestig jaar is wél drie keer zo lang als de tijd die haar samen met Arend was gegund. En hij had behoorlijk afscheid kunnen nemen. Zij niet. Arend ging zomaar dood. Pats. Boem. Weg! Ze zucht en trekt een kussen in haar rug. Zou Julian gezien hebben dat er eentje ontbreekt? Dat gat moet hij opvullen. Misschien met die twee kussens uit de achterkamer? Die mag hij wel meenemen. Zo vaak zal ze daar nu toch niet meer zitten. Ze was er graag als hij aan de eettafel zijn huiswerk maakte. Vroeger. Arend zat liever voor. Bij de televisie. Als die aan stond, kwam er van praten meestal niet veel. Maar hij wás er wel. Misschien moet ze ook wat kleiner gaan wonen. Ze is straks maar alleen nog. Ze leunt achterover en sluit haar ogen voor het felle zonlicht. Plots voelt ze haar tranen branden. Ze verzinkt in haar geluidloze wereld.

Deel 2 van het verhaal ‘Dovemansoren’ lees je volgende week zaterdag op MijnKerk.nl

Nog een kort verhaal lezen? Ontdek de andere verhalen van Conny Hoogendoorn.

Fotografie: Peter Lee

Deel dit verhaal:
Auteur van de week

Geschreven door:

Thema: Blog
6 juni 2015

8 x gelezen
Kaarsjes:
Bekijk meer kaarsjes
Steek zelf een kaarsje aan
Kaars