Recht gedaan 2/4

Hij komt overeind. Vastberaden stapelt hij de dozen in de rolcontainer. Hij past, meet en ergert zich. Hij had gewaarschuwd toen zijn chef de oude, versleten kooicontainer op wieltjes aan vervanging toe had gevonden en een nieuwe had besteld: ‘Deze hier, die u wilt, met die hoge zijwanden, is groter dan de oude. Hij past amper in de lift, meneer. Meet u het maar na. Neem toch liever die kleinere,’ had Dennis tegen dovemansoren gezegd.

Hij duwt zijn gespierde lijf tegen het gevlochten staal dat de pakketten op hun plaats houdt, rijdt de kar in de kleine ruimte en trapt met kracht de rem vast. Dat hij er ook nog bij in moest, daar had het ‘Hoofd Facilitair’ niet bij stil gestaan toen hij de maten van de lift met de afmetingen in de Overtoombrochure had vergeleken en zijn veronderstelde gelijk over de postkamer had getrompetterd: ‘Zie je wel, dat past makkelijk, Dennis. En anders kruip je er toch gewoon bij in, Tarzan!’ Iedereen had gelachen. Hij ook. Gewoon een lolletje toch? Of had hij zich dat slechts verbeeld? Hij weet niet meer wat er van te denken.

Als de zware deur onverbiddelijk zijn billen plet, hoort hij de receptioniste ginnegappen aan de telefoon. Lacht ze nu om hem? Muizenissen in zijn hoofd. De stalen stangen van de rolcontainer sluiten hem in, drukken genadeloos in zijn borst. Zelfs voor zijn zucht rest onvoldoende ruimte. Dennis sluit kort zijn ogen. Hij weet Wie hij gewoontegetrouw om steun kan vragen, sinds jaar en dag, al twijfelt hij tegenwoordig wel steeds vaker aan de zin er van.

‘Geef dat uw roepstem wordt gehoord, als eenmaal bij de zee. Geef dat ook wij uw nodend woord vertrouwen, volgen ongestoord, op weg gaan met U mee.’

Tegen de tijd dat hij klaar is met het stapelen van de kleurige dozen arriveren de eerste gasten, de voor de gelegenheid van de rechtbank meegenomen toga’s over hun arm. Ze begroeten hem vriendelijk. Nu de lift in beslag nemen om de rolcontainer weg te brengen zou erg onhandig zijn. Dennis denkt even na en besluit hem tijdelijk in het directiesecretariaat aan het einde van de gang te parkeren. Daar komt vanavond toch niemand meer. Halverwege passeert hij de reeds in toga gehulde oudste partner.

‘Vergeet je niet je stofjas uit te doen als je straks met de drankjes rond gaat, Dennis? Het is wel feest vanavond, hoor.’ zegt hij in het voorbijgaan.

Dennis drukt zich tegen de muur; meneer Corlaer is groot en breed, de gang vrij smal. Hij knikt verlegen. ‘Natuurlijk, meneer Corlaer.’

Richard Corlaer glimlacht en loopt door. Dan bedenkt hij zich en draait zich om. ‘Dennis …’, zegt hij en aarzelt even, ‘Je snapt toch wel dat een meisje als Daphne van Knobelsdorf geen partij voor jou is? Zij is advocate en jij bent, uh …, jij bent Dennis.’ Dennis kleurt en voelt zich plotseling reuze ongemakkelijk. Hij weet niet wat hij met de situatie aan moet. Een lichte misselijkheid overvalt hem als er een vlezige hand op zijn schouder wordt gelegd. De wijdvallende mouw van de toga vult de ruimte tussen hun lichamen en maakt de kantoor-oudste imposant en onaantastbaar. Dennis huivert, al weet hij zelf niet waarom. Meneer Corlaer is toch altijd even voorkomend tegen hem? Net als de andere vennoten, advocaten van naam en faam. Ze zijn wat afstandelijker, maar onveranderlijk welgemanierd. Het zijn de stagiaires die nog een patroon boven zich moeten dulden, die denken dat ze heel wat voorstellen.

‘Natuurlijk, meneer’, mompelt hij en slaat ontsteld zijn ogen neer.

‘Niet zo schrikken, Dennis. Ik ben niet boos op je. Maar ik vond toch dat ik het moest zeggen. Verder ben ik erg over je te spreken, jongen. Eerdere deze week sprak ik met je begeleider. En ik vertelde hem dat ik blij ben dat ik je deze kans gegund heb. ’n Beschadigd mens verdient een kans. ’

Nu ook op zijn andere schouder een drukkende hand. De fluwelen biezen glimmen zacht in het zwakke licht. ‘Het komt goed, jongen. We redden het samen.’ De zware zwarte wol lijkt hem op te slokken. Dennis bedenkt zich dat vroeger al, in zijn jeugd, de ‘jurken’ probeerden hem gerust te stellen, hem probeerde te overtuigen dat wat slecht voelde toch goed was.

‘Het geeft niet, Dennis’, zeiden ze dan, als zijn lichaam reageerde, ‘Het geeft niet…’

Maar hij wist, diep van binnen, dat er ergens iets niet deugde en hoewel er vaak geen antwoord kwam, bad hij, gewoontegetrouw, inwendig om steun. Ook nu weet hij niet wat anders te doen. Tot Corlaer zijn armen laat zakken, hem vriendelijk toeknikt en doorloopt. Een plotseling opkomende boosheid doet Dennis zuchten. De opmerking voelde zo onrechtvaardig, want het is precies andersom. Zij valt hém lastig, draait om hém heen, is té vaak té dichtbij. Hij probeert juist uit haar buurt te blijven. Hier op kantoor, maar ook bij de vogelopvang. Zíj zorgt voor dat gevoel waar hij zo’n hekel aan heeft, die nare tinteling in zijn buik die hem het nadenken belet en hem zich nog onhandiger laat gedragen dan hij normaal al doet.

Hij hangt zijn stofjas over de lege rolcontainer in het secretariaat. Zich voorover buigend klemt hij zijn handen om de stalen rand. Nog steeds is hij een beetje misselijk. Hij knijpt zijn ogen dicht om de snel opkomende hoofdpijn te bezweren. Mannen in jurken … Ze gaan zich er anders door gedragen, vindt hij. Van die minzame glimlachjes als hij in de buurt is, het hervatten van het gesprek als hij weer doorloopt.

In de pantry vult hij de champagneglazen en hij posteert zich met een dienblad bij de deur. De zaal loopt vol met mannen en vrouwen in zwarte toga’s met witte bef. Geen ondersteunend personeel te bekennen. Die mogen volgende week bowlen op kosten van de baas en daar heeft hij reuze zin in. Op dit feestje enkel ‘jurken’. Achter hem praat meneer Corlaer met de fotograaf. De foto moet nog even wachten, nog niet iedereen is aanwezig. Tot Corlaers spijt zullen een aantal advocaten moeten verzaken. Jammer, denkt Dennis, wél zo leuk als iedereen er opstaat. Verrek, denkt hij dan, mogelijk komt mevrouw van Knobelsdorf helemaal niet. Dan ziet hij dat zijn blad bijna leeg is. Ze lusten er wel pap van, denkt hij. Glimlachend loopt hij terug naar de pantry om de glazen aan te vullen.

‘Waar ben je met je gedachten, Dennis? Heb je een binnenpretje?’

De stem van één van de advocaat-stagiaires – een aardige vent, hoe heet hij ook al weer? – schrikt hem op uit zijn gedachten. Hij blijft staan.

‘Heb je het naar je zin, Dennis?’

‘Ja, meneer. Het is erg gezellig. De bloemen zijn prachtig. Maar, mag ik er even door, meneer? Ik moet nodig de glazen bijvullen.’

‘Ach wat, iedereen heeft toch nog? Doe maar rustig aan.’ Hij blijft voor Dennis staan, glimlacht en houdt zijn hoofd scheef.

‘Ik vroeg het me ineens af, Dennis, drink je zélf wel eens wat?’

‘Haast nooit, meneer. Ik kan er niet zo…’

Voor Dennis zijn zin af kan maken, onderbreekt een andere stagiaire hem. ‘Zo, heren. Nivellering op de werkvloer?’ Dat is Wessel de Jonge, weet Dennis. Een wijsneus. Altijd praatjes. Wat bedoelt hij? En hoe heet die andere ook al weer? Dennis krijgt het warm.

‘Goede vraag, Max, maar ik vraag me heel iets anders af’, zegt Wessel de Jonge brallerig. O ja, Max Dendervoort, herinnert Dennis zich. De Jonge wendt zich tot Dennis. Een plagerige glimlach speelt rond zijn lippen. ‘Of je drinkt kan me eigenlijk niet zoveel schelen, Dennis.’ Zijn stem klinkt treiterig. Dennis verkrampt. Ze staan zo dichtbij. Nare herinneringen vertroebelen zijn geest.

‘Heb je ooit een vrouw gehad, Dennis? Dat vragen we ons allemaal af. Wil je het ons vertellen? Heb je het genoegen van een vrouwenlichaam ooit geproefd? Het grote genot reeds ondergaan? Of ben je nog knaap, Dennis?’ vraagt hij vals, de hete aardappel hoorbaar in zijn keel.

Wessel de Jonge schatert om zijn ontsteltenis. Ook Max Dendervoort schiet in de lach. Links en rechts een klap op zijn schouder. Kameraadschappelijk bedoelt misschien, maar hoe intimiderend voelt het. Weer die fladderende mouwen. Dennis’ adem stokt even. Het zweet breekt hem uit.

‘Jongens, laat Dennis eens met rust!’ Achter hem de stem van meneer Corlaer. ‘Pak er eentje van je eigen soort!’ Zijn toon is dan wel streng, zijn ogen suggereren het tegenovergestelde. ‘Kssssst, vort. Wegwezen jullie. Laat Dennis zijn werk doen.’ Hij wappert met zijn handen.

Huichelaar, denkt Dennis en schrikt van zijn eigen gedachte. Terwijl de twee plaagkoppen grinnikend weglopen, richt Corlaer zich tot Dennis. ‘Jonge honden zijn het. Soms wat vervelend. Dat zijn ze allemaal als ze net hun graad binnen hebben. Het geeft niet. Trek je er maar niets van aan, Dennis. Het geeft niet.’ Weer die hand op zijn schouder. Dennis onderdrukt de neiging hem weg te slaan. Hij doet een stap achteruit, knikt en vlucht de pantry in. Daar slaat hij in één teug een glas champagne achterover. Wat denkt die De Jonge wel? Zoiets vraag je toch niet! In Gods ogen zijn we allemaal gelijk, denkt hij. Voor Hem is iedereen even belangrijk. En komt niet Hem de wraak toe? Deze gedachte doet hem goed. Hij buigt zich voorover en draait de kraan open. Ze worden heus wel wijzer. Ze worden altijd wijzer. Hij wast zijn gezicht en richt zich weer op. De ijskoude straal water, stromend over zijn gevouwen handen, brengt hem tot rust.

Wordt vervolgd

©ConnyHoogendoorn

Teruglezen deel 1

Reageren

Reacties

Deel dit verhaal:

Geschreven door:

Zoeken:

Populaire berichten

Kaarsjes:
Bekijk meer kaarsjes
Steek zelf een kaarsje aan
Kaars