MENUMENU

Recht gedaan 3/4

Met een vol plateau mengt hij zich weer onder de feestgangers. Na verloop van tijd ontspant hij. Hij glimlacht weer. Niemand valt hem lastig.

‘Jurken’ pakken een glas of zetten er eentje terug op het blad. Waarschijnlijk was Corlaers optreden afschrikwekkend genoeg. Misschien was dat glas champagne zo gek nog niet. Het kalmeerde hem. Onzichtbaar voor de aanwezigen leegt hij in het keukentje snel nog een glas. Waarom zij wel en ik niet, denkt hij een tikkeltje opstandig. Hij grinnikt. Met kordate passen loopt hij naar de grote zaal en mengt zich met een vol plateau onder de in toga gehulde feestgangers.

Dan ziet hij haar. Ze is veel te laat. Iedereen is er al lang. Opzettelijk? Zodat ze alle ogen op haar gericht weet als ze arriveert in haar zachtglanzende, slechts half dichtgeknoopte toga? Ze staat midden in de zaal. Oogverblindend mooi is ze. Dennis slikt. Haar blik is op het randje van zelfvoldaanheid als ze ziet dat iedereen lacht om de grote rode strik rond haar hals.

‘Toch veel leuker dan zo’n saaie witte bef,’ roept ze uitgelaten en knipoogt naar Dennis. Hij is niet de enige die het ziet. De grap gaat er in als koek. Er wordt gelachen. De vrouwen omdat ze er niet onderuit kunnen, maar de ruim in de meerderheid zijnde mannen gaan voluit. Dennis ziet die typische blik in hun ogen, dat dierlijke in hun gelaatsuitdrukking, geen man uitgezonderd. Ook die dikke Corlear niet. Bah, wat een onaardige gedachte weer, denkt hij. Maar het vervult hem met afkeer, al weet hij niet precies waarom. Het maakt hem onpasselijk.

‘En hoe vinden jullie mijn feestschoenen?’ vervolgt ze, haar toga hoog optillend en daarmee haar lange benen in rode, torenhoge stiletto’s tonend.

Ze straalt als diverse collega’s enthousiast reageren. Op een enkele opmerking, onmiskenbaar dubbelzinnig, reageert ze gevat.

‘Ordinair,’ mompelt Dennis voor zich uit. Maar zijn lichaam denkt er anders over. Als haar ogen op hem blijven rusten, stijgt het bloed naar zijn hoofd en wendt hij verward zijn blik af.

‘Wat zeg je, Dennis?’ roept ze door de zaal.

Dennis schrikt en even uit balans houdt hij zijn dienblad scheef. Vijf, zes met champagne gevulde glazen kukelen over de rand. Het geluid van brekend glas maakt dat iedereen zich omdraait en naar hem kijkt. Met liefde zou Dennis ter plekke door de grond zakken. Gelach begeleidt hem als hij zich naar de pantry haast om een dweil en stoffer en blik te halen.

Zijn handen trillen en hij durft niet om zich heen te kijken. Elk gesproken woord lijkt over de door hem gemaakte bende te gaan. Iedere lach voelt ten koste van hem. Mevrouw van Knobelsdorf loopt op hem toe en bukt zich om hem te helpen.  ‘Domme Dennis, het geeft niet’, fluistert ze. ‘Morgen is het zaterdag. Ben je er? Je bent er zó goed in. Ik geniet er reuze van.’

Dennis’ ogen kleven aan de rode stiletto’s. Corlaer kijkt hem onderzoekend aan.

Opgelucht draait hij de deur achter de laatste feestganger op slot. Zijn werk zit erop. Het was een lange dag. Hij is blij dat hij naar huis kan. Thuis op zijn kamer heeft hij immers niets meer te vrezen van haar verwarrende opdringerigheid, haar slanke meisjeslichaam dat zich steeds weer aan hem lijkt aan te bieden. Dan zal hij bevrijd zijn van de heerlijke geur van zomerzon en gemaaid gras, opstijgend uit haar felrode krullen als ze zich tussen hem en de koffiemachine dringt. Dan is hij verlost van het duizeligmakende bonzen van zijn hart en de onwillekeurige reactie van zijn lijf als haar billen, als per ongeluk, zijn lichaam raken.

In de kelder opent hij een voor een de klepjes van zijn zorgvuldig gemaakte muizenvallen. Het ingenieuze sluissysteem voorkomt dat de beestjes ook maar een haar gekrenkt wordt. Er is hem veel aan gelegen ze in leven te houden. Dat nu juist zij zich moest melden bij de Vogelopvang. Is dat immers niet de plek waar hij werkelijk gelukkig is? Hij geniet ervan om de verweesde uiltjes, sperwers en valken alles te leren wat hun ouders nalieten hen voor te doen. Ze vielen uit het nest  en moesten het alleen maar uitzoeken. Net als hij. Maar zij hebben wél iemand die voor ze zorgt, ze liefheeft, er op let dat ze hun vleugels kunnen uitslaan. En met dieren weet je waar je aan toe bent. Ze nemen nooit meer van je dan noodzakelijk is. Dat is fijn. Moet hij haar nu echt gaan voordoen hoe je zijn vogels op levend aas leert jagen? Is het omdat ze echt helpen wil? Of omdat ze hem er over hoorde vertellen en nu dus weet waar zijn hart ligt. Hij had haar niet zien staan in de postkamer toen. Anders had hij zijn mond wel gehouden. Maar als het over zijn vogels gaat, vergeet hij alles; dan is hij niet verlegen. Daar weet hij immers alles van. En misschien slaat hij wel eens een beetje door. Dat zeggen zijn collega’s wel eens. Als ze maar niet denkt dat ze voor zijn uiltje mag zorgen. Handtam inmiddels. Hij kan het niet over zijn hart verkrijgen zijn vogel met de wijze oogjes de vrijheid al te gunnen. Nog niet. Ook niet nu zijn gebroken vleugel bijna zonder zichtbare restschade hersteld is. Hij moet eerst sterker worden. De wijde wereld is té hard nog. Eerst sterk worden! Hij haalt zijn schouders op. De gevangen muisjes gaan in de geprepareerde doos. Maar niet voordat hij ze heel zacht even geaaid heeft. Gods schepping, denkt hij, ook zij.

Als hij gewoontegetrouw de kast naast de receptie openmaakt om zijn stofjas in op te bergen, realiseert hij zich dat deze nog boven ligt. Over de rand van de rolcontainer, die hij ook vergeten is mee naar beneden te nemen. Die kan hij daar niet laten staan, zo midden in het secretariaat. Hoofdschuddend om zijn vergeetachtigheid stapt hij in de lift en wenst dat het ouwe ding wat sneller gaat. Hij wil graag op tijd bij zijn hospita zijn, want ze heeft het eten altijd stipt op tijd klaar. Dennis houdt heel erg van warm eten. Daar geniet hij van, al vind hij het soms wat vervelend dat zijn hospita steevast wil weten hoe het op zijn werk was. Ze bedoelt het vast goed, maar hij weet nooit wat hij daarop moet antwoorden. Gewoon lekker gewerkt, zegt hij meestal. Vandaag was wél anders, maar daar vertelt hij haar beslist niets over. Ze zou het vast en zeker weglachen of, nog erger, ze zou hem zomaar bemoedigend op zijn schouder kunnen kloppen. Geen haar op zijn hoofd die eraan denkt.

Hij opent de deur van het secretariaat en ziet haar onmiddellijk. Ze hangt onderuit in een bureaustoel. Haar bloedrode haren verward over de rugleuning. De opengeknoopte toga hangt langs haar naakte lichaam. Eén van haar benen bungelt schaamteloos over de leuning. Op het tapijt ligt een leeg champagneglas. Ernaast, op een slordig neergeworpen toga met fonkelende biezen, ligt een glanzende stiletto.

‘Dennis!’

‘Mevrouw van Knobelsdorf!’ Alle donders, wat is ze mooi, denkt hij onwillekeurig. Een felle scheut trekt door zijn onderlichaam. Niet aan denken, Dennis, niet aan denken.

‘Daphne! Daphne! Ik heet Daphne!’ Het tot drie keer toe uitspreken van haar naam vraagt te veel van haar door alcohol verlamde tong. Hij slaat hoorbaar even dubbel.

‘U moet nu echt naar huis!’ Na een korte aarzeling zet hij haar been voor haar op de grond zet en doet verwoede pogingen om haar lichaam weer te bedekken. ‘Waar is uw ondergoed, mevrouw?’ vraagt hij terwijl hij om zich heen speurt. Opwinding maakt zich van hem meester. Zijn lijf lijkt het te winnen van zijn verstand. Dennis vloekt nooit. Nu wel. Hartgrondig. Hij schrikt ervan, maar het heeft wel het door hem gewenste effect. Hij herstelt zich. Hij is weer tot handelen in staat. Omzichtig pakt hij de rode damesschoen, alsof hij bang is zich eraan te branden. Met een driftige beweging propt hij hem in de zak van zijn jasje. De stalen hak steekt gevaarlijk naar buiten, lijkt nog hoger dan hij al is. Dan pakt hij de zware, zwarte toga en hangt hem over de rand van de kooi. ‘Sta op, mevrouw!’

‘Niet mevrouw! Niet u! Gewoon jij en Daphne, lieve Dennis,’ lalt ze.

Eindelijk heeft hij haar op haar benen staan. Het hoogteverschil, ze draagt immers maar één schoen, doet haar enkel zwikken. Ze hangt zwaar tegen hem aan. De weeïge walm van alcohol in combinatie met haar zoete parfum beneemt hem kort de adem, maar dan vermant hij zich. ‘Kom! Waar is uw jas? Ik zal een taxi voor u bellen.’

‘Lieve Dennis,’ verzucht ze en klemt zich aan hem vast. Ze drukt haar slanke lichaam tegen hem aan. Haar handen grijpen die van hem en ze vleit zijn vingers rond haar zachte borsten. Zijn lichaam reageert onmiddellijk. Geschokt trekt hij zijn armen weer terug, maar ondersteunt haar toch weer als ze dreigt te vallen. ‘Dennis…’, fleemt ze opnieuw.

Hij loodst haar door de gang naar de lift. Ondanks zijn grote verwarring bedenkt hij zich dat hij de rolcontainer mee moet nemen. Langs de wand laat hij haar op de grond zakken. Met grote ogen kijkt ze naar hem op. Dennis deinst terug, buiten haar bereik. ‘Wacht hier,’ commandeert hij. ‘Ik haal de rolcontainer.’

‘Blijf bij mij, Dennis. Houd me vast. Dennis!’

Wordt vervolgd

©ConnyHoogendoorn

Teruglezen deel 1
Teruglezen deel 2

 

Reageren

Reacties

Deel dit verhaal:

Geschreven door:

Zoeken:

Populaire berichten

Kaarsjes:
Bekijk meer kaarsjes
Steek zelf een kaarsje aan
Kaars