MENUMENU

Recht gedaan 4/4

Mannen in jurken, denkt Dennis, ik haat ze. Dapper probeert hij de vieze smaak in zijn mond weg te slikken.

Hij transpireert zwaar. Een beklemmende pijn verspreidt zich door zijn borst. Hij negeert haar smeekbede en snelt terug naar het secretariaat en grijpt de rolkooi. Het onhandige gevaarte botst tegen de wanden als hij het haastig door de gang duwt. We passen niet in de lift, realiseert hij zich. Dan ziet hij de oplossing. ‘Stap alstublieft in de kooi, mevrouw’, zegt hij dringend terwijl hij zich onhandig over haar heen buigt. Ze begrijpt hem eerst niet, maar giechelt dan, als een pubermeisje. Wat is ze jong nog, flitst het door zijn hoofd. ‘Kinky, Dennis,’ fluistert ze en ze doet een vergeefse poging om over de opstaande rand te klauteren. Hij heeft geen idee wat ze bedoelt, maar hij is opgelucht dat ze naar hem luistert. Als hij haar helpt instappen, slaat achter hem de deur van het herentoilet dicht. Richard Corlaer loopt op hen toe. Rustig maakt hij de riem van zijn broek vast.

‘Richard …’, brengt Daphne aarzelend uit.

Corlaer negeert haar en wendt zich tot Dennis. ‘Gaan we naar huis, jongen?’ Zijn stem klinkt vriendelijk als altijd. Alsof het niet vreemd is dat Dennis hier Daphne van Knobelsdorf dronken en zo goed als naakt aantreft en meneer Corlaer zich met een knalrood hoofd bij hen voegt. Dennis weet niet wat hij met de situatie aan moet. ‘Ah, jij hebt hem al voor me meegenomen, zie ik.’ Hij trekt de toga van de rand van de rolkooi en trekt hem aan.

Mannen in jurken, denkt Dennis, ik haat ze. Dapper probeert hij de vieze smaak in zijn mond weg te slikken.

‘Zal ik dan ook maar in dat ding gaan staan,’ stelt Corlaer rustig voor. Hij duwt onverschillig de ineengezakte Daphne een stukje opzij en stapt naast haar in de container.
Als Dennis met wijd gespreide armen de zware rolkooi de lift in manoeuvreert, probeert hij zijn gedachten te ordenen. Tevergeefs. Met een bruuske beweging trapt hij de container op de rem en drukt op de op één na onderste knop. BG, denkt Dennis, daar moet ik heen. Daar is de hal. De deur naar buiten. Corlaer lacht hem minzaam toe. ‘Weet je hier geen raad mee, Dennis? Had je Daphne liever voor jezelf gehad?’

De deur sluit traag. Dennis schudt driftig zijn hoofd. ‘Ik wil niets van mevrouw van Knobelsdorf!’

De lift zet zich krakend in beweging. Corlaer kijkt hem peinzend aan. ‘Je houdt niet van meisjes? Ach, zo …’

Dennis’ stem weigert dienst. Hij heeft het gevoel te moeten overgeven. Hij wil weg. Naar buiten. De frisse lucht in. Hard fietsen. Met zijn hospita aan de warme maaltijd. Of is het al te laat? Zijn bord zal wel op een pitje staan. Zal ze kribbig doen? Vla of yoghurt na? Rust. Morgen samen de boodschappen. Daarna de vogelopvang. Zondag kerk. Weg hier.

‘Hou je soms meer van mannen, Dennis?’

Klinkt Corlaers stem plotseling heel anders? Die blik, denkt Dennis, die blik. Een gevoel van paniek bekruipt hem. ‘Nee, meneer.’

‘Misschien toch wel, Dennis?’ Corlaers stem fleemt. Het opgeblazen, rode gezicht jaagt Dennis angst aan. Zijn adem hijgt. Corlaer ziet het. ‘Ach, Dennis.’ Twee in wijde mouwen gestoken armen grijpen door de tralies van de rolcontainer. Dennis kan zich niet verweren als Corlaers vlezige vingers vaderlijk op zijn schouders rusten, hem aanraken terwijl hij nooit meer door een man aangeraakt wil worden. Hij wil terugdeinzen, maar hij staat muurvast tussen het hekwerk en de liftdeur. De stalen hak dringt pijnlijk in zijn heup. Zorgvuldig weggestopte herinneringen, moeizaam verdrongen gedachten keren in alle hevigheid terug en treffen hem als een mokerslag. Mannen in jurken die iets van hem willen wat hij niet geven wil. Zijn favoriete gezang galmt door zijn hoofd.

‘Leg Heer uw stille dauw van rust op onze duisternis. Neem van ons hart de vrees, de lust, en maak ons innerlijk bewust hoe schoon uw vrede is.’

‘Nee,’ stamelt hij.

‘Waarom hijg je dan zo. Dennis? Het komt goed. Het geeft niet, Dennis. Het geeft niet!’ Corlaers stem daalt.

Met een schok komt de lift tot stilstand. Als de deur opengaat, heeft Dennis de gelegenheid te ontsnappen. Hij struikelt achterover, draait zich om en vlucht de hal in. Hij laat de rolcontainer met de half bewusteloze jonge vrouw en de corpulente advocaat achter in de lift. Na twee stappen klapt Dennis dubbel en stort de inhoud van zijn maag over het blinkende marmer van de entree. Als hij Corlaer opnieuw hoort zeggen dat het niet erg is, lijkt er iets in hem te knappen. Traag komt Dennis overeind en keert zich naar de lift. Zijn uitdrukking is veranderd. Geen blinde paniek meer. IJskoud is zijn blik als hij naar voren stapt en vastberaden het bovenste knopje op het liftpaneel indrukt. Hij kijkt onaangedaan naar het sluiten van de deur en knoopt dodelijk kalm zijn jasje dicht.

‘Laat me eruit, Dennis!’ galmt Corlaers stem door de liftschacht, ‘Je kunt ons hier niet achterlaten, Dennis. Dennis! Laat me eruit! Dennis! Dennis…!’

Dennis aarzelt, denkt aan zonde, straf en vergelding? Aan vergeving wellicht? Het is hem om het even. Uiterst traag recht hij zijn rug en voelt opnieuw de schoen in zijn zak. Afkeer druipt van zijn gezicht als hij de uitdagende stiletto van zich af werpt. Bedachtzaam veegt hij zijn hand af aan zijn broek. Dan draait hij zich om en loopt met grote stappen naar de brede toegangsdeur van het advocatenkantoor. Koele wind strijkt langs zijn gezicht als hij hem opent en naar buiten stapt. Hij glimlacht. ‘Het geeft niet, Dennis’, fluistert hij voor zich uit, ‘Het geeft niet.’ Resoluut trekt hij de zware deur achter zich dicht. Hij grijpt zijn fiets en stuift weg alsof de duivel hem op de hielen zit. Plotseling knijpt hij zo krachtig in zijn remmen dat zijn fiets schuin onder hem wegglijdt. Als verdoofd blijft hij staan.

‘Dat ons geen drift en pijn verblindt, geen hartstocht ons verwart. Maak Gij ons rein en welgezind en spreek tot ons in vuur en wind, o stille stem in ‘t hart.’

Dat verrekte gezang ook. Het wil niet uit zijn hoofd. Traag stapt hij af. Hij is geen kleine weerloze jongen meer. Een volwassen man inmiddels. Hij moet voor zichzelf opkomen nu. Het verleden laten rusten. Uiterst langzaam draait hij zijn fiets om. Het is niet aan mij, fluistert hij. Aan Hem is de wrake. Dacht hij dat niet eerder al? Met zware stappen, als was hij dodelijk vermoeid, loopt hij terug naar het advocatenkantoor. Traag recht hij zijn rug.

Teruglezen deel 1

Teruglezen deel 2

Teruglezen deel 3

©ConnyHoogendoorn

Reageren

Reacties

Deel dit verhaal:
MijnKerk.nl

Geschreven door:

Zoeken:

Populaire berichten

Kaarsjes:
Bekijk meer kaarsjes
Steek zelf een kaarsje aan
Kaars