Station Elders (deel 2 van 2)

Vandaag deel 2 (slot) van het korte zomerverhaal Station Elders. Een kleine traktatie van ons voor bij de koffie.
Isa heeft, na een ruzie met haar ouders, de trein gepakt zonder een van tevoren afgestemd reisdoel...

De trein vermindert vaart.
Station Elders, lees ik tot mijn verbazing, dat moet een teken zijn. In een opwelling besluit ik uit te stappen.
Doelloos dwaal ik even later rond op het station. Het wordt merkbaar frisser en mijn voeten voelen inmiddels aan als ijsklompjes.
‘Kan ik je soms ergens mee helpen?’ vraagt een man. Hij draagt een sjofele jas en zijn haar is vet, maar zijn ogen staan vriendelijk.
Normaal gesproken zou ik niet op de vraag van een wildvreemde zijn ingegaan, maar eerlijk gezegd ben ik geïmponeerd door de volwassen manier waarop ik door hem wordt aangesproken. Eindelijk iemand die in mij een gelijke ziet.
‘Zullen we een kopje koffie drinken in dat restaurant?’ stelt hij voor. Ik knik dankbaar, pak mijn tas op en loop achter hem aan. Als we het bittere, zwarte vocht hebben opgedronken en het in folie verpakte minikoekje verorberd, staat hij op. Verbaasd kijk ik hem aan. We kunnen toch niet zomaar weglopen zonder te betalen? Maar hij staat al bij deur. ‘Kom je nou nog?’
Weifelend blijf ik staan. Het meisje, dat ons de koffie bracht, loopt recht op me af. Uit de envelop in mijn tas pak ik vijf euro en druk het haar in de hand.
‘Waarom kwam je nou niet gelijk? Dat had je vijf euro bespaard,’ lacht hij zijn zwarte tanden bloot. Ik huiver, maar lach dan dapper met hem mee. Hij zal wel een grapje maken.

Slaapplaats

‘Heb je al een slaapplaats voor vannacht?’
Als ik ontkennend mijn hoofd schud, zegt hij: ‘Dat dacht ik al. Ik weet wel een plekje, kom maar mee.’
Zeker een kwartier lopen we samen zwijgend door de vreemde stad, totdat hij blijft staan bij een oud, verwaarloosd pand. Hij drukt drie keer indringend op de bel, waarna de deur wordt opengedaan door een meisje. Ik schat haar niet veel ouder dan mij.
‘Charlotte, dit is …?’ Vragend kijkt de man mij aan.
‘Uhh… Isa,’ stotter ik.
‘Isa blijft hier vannacht slapen. Er is vast nog wel een matras beschikbaar.’
Charlotte knikt. ‘Kom maar mee.’
Achter haar aan loop ik de trap op van het smalle, donkere trappenhuis. Als we boven komen bemerk ik dat de man die mij hier gebracht heeft, niet achter ons aan is gekomen. Als ik Charlotte vraag waar hij gebleven is, haalt ze nonchalant haar schouders op. ‘Arie komt en gaat wanneer het hem uitkomt,’ is haar raadselachtige antwoord.
We gaan een donker, muf ruikende kamer binnen. Ik zie een stuk of tien matrassen liggen op de grond, waarop wat jonge mensen zitten. Ze kijken niet op of om als ik binnenkom. ‘Geef je spullen maar aan mij,’ zegt Charlotte, ‘en plof ergens neer.’
Ik heb geen idee waar ik terecht ben gekomen en ik voel me niet helemaal op mijn gemak. Als ik een sigaret krijg aangeboden, schud ik afwerend mijn hoofd. Een honend gelach stijgt op.
‘Wie is dat boerentrientje?’
Een nog harder lachen is het resultaat.
‘Arie kwam met haar aanzetten,’ verklaart Charlotte onverschillig, ‘ze blijft hier een nachtje slapen.’
‘Nou schatje, je mag wel naast mij komen liggen,’ spot een jongen met half lang haar.
Ik huiver, een rilling trekt langzaam over mijn armen en mijn rug.
Als Charlotte de kamer uitloopt, volg ik haar.
‘Je vraagt je zeker af waar je bent beland?’ Haar stem klinkt niet vriendelijk meer, eerder wat ongeduldig. ‘Nog nooit van een kraakpand gehoord?’
Als ze mijn blik vangt, zegt ze wat milder: ‘We hebben niet allemaal zo’n mazzel als jij. Als ik jou was ging ik morgen weer terug naar huis. Je hebt vast een onschuldige ruzie gemaakt met je ouders.’
Beschaamd knik ik. Ben ik zo doorzichtig?
Ze lacht me nu toch weer wat bemoedigend toe. ‘Ik meen het,’ zegt ze, ‘dit is mijn thuis en dan mag ik nog blij zijn dat ik een dak boven mijn hoofd heb. Mijn familie zijn deze mensen hier. Je zult schrikken als je wist wat zij stuk voor stuk hebben meegemaakt.’
Achter haar aan loop ik de met matrassen bezaaide kamer weer binnen en krijg er eentje toegewezen. Doodmoe laat ik me erop neervallen en voordat ik het weet, ben ik onder zeil.

Bezorgd

Ik schrik wakker doordat er iemand aan mijn schouder schudt. Even weet ik niet waar ik ben. Ik knipper en kijk verdwaasd rond, totdat ik de ogen ontmoet van de bemoeizuchtige vrouw, die nog steeds tegenover me in de trein zit.
‘Je was zo diep in slaap en droomde zo onrustig.’ Ze klinkt oprecht bezorgd. ‘Moet je er nog niet uit?’
Geschrokken kijk ik uit het raam. De zon is achter de horizon verdwenen en het zachte licht van de schemering gaat al over in de kille duisternis van de avond. ‘Hoe lang heb ik geslapen?’
‘Hooguit een half uurtje,’ zegt de mevrouw.
‘Dank u wel,’ mompel ik, terwijl ik opsta. ‘Ik moet er hier uit.’

Warmte

Zo snel als mijn blote voeten mij en mijn bagage kunnen dragen, loop ik naar de andere kant van het perron. Nu mijn besluit vast staat, voelen ze niet langer koud aan. Ze lijken te gloeien door een diepe warmte die mijn hele lichaam doortrekt.
Het duurt nog tien minuten voordat de trein komt. Net lang genoeg. In mijn tas zoek ik naar mijn mobieltje en constateer dat ik al zeker tien sms-berichtjes heb ontvangen en minstens zoveel oproepen. Ik kan wel raden van wie. Wat zullen ze ongerust zijn. Vastberaden toets ik het mij zo bekende nummer.
Even luister ik en dan hoor ik mezelf fluisteren: ‘Pap, mam… ik kom zo snel mogelijk naar huis. Elders valt me, bij nader inzien, heel erg tegen… I love you!’

Reageren

Reacties

Deel dit verhaal:

Geschreven door:

Zoeken:

Populaire berichten

Kaarsjes:
Bekijk meer kaarsjes
Steek zelf een kaarsje aan
Kaars