MENUMENU

Verlegen 1/2

Een verhaal in twee delen over een ontluikende liefde. Vandaag deel 1.

‘Welkom!’ Zijn zware stem galmt door de ruimte. Met een breed armgebaar nodigt Mike me uit plaats te nemen. Ik glimlach naar hem. Hij doet zo zijn best. Met een daverende klap sluit hij  de toegangsdeur van het eetcafé.

Zijn collega legt met beide handen een geplastificeerde kaart op tafel en wrikt de dop van een dikke viltstift. Hij kijkt me zonder zichtbare emotie aan. ‘Wil je wat drinken?’ Hij hakkelt een beetje, maar minder dan toen hij me nog niet goed kende. Deze keer zeg ik maar niet dat hij me Simone mag noemen. Ik schuif mijn laptop een stukje opzij. ‘Ik lust wel een kopje koffie, Bastiaan.’

Hij buigt zich voorover. Zijn beide onderarmen leunen van pols tot elleboog op de tafel. Op een haar na raakt zijn neus het tafelblad. Het puntje van zijn tong verschijnt als hij hard duwend een dikke streep achter ‘koffie’ snerpt. Met zijn nagel controleert hij zijn notitie en gaat weer rechtop staan. ‘Anders nog iets?’

‘Nou, ik heb reuze zin in een broodje beenham.’

Het ritueel herhaalt zich, al duurt het even voordat hij ‘broodje beenham’ gevonden heeft. Met zijn armen recht voor zich uit, als draagt hij een kostbare vaas, loopt hij naar het buffet. Geert-Jan, de begeleider van de jongens en meiden met een verstandelijke handicap, staat achter de kassa en wil de kaart van hem overnemen, maar hij moet er eerst zachtjes aan trekken voordat Bastiaan hem loslaat. Er lijkt iets van wantrouwen in zijn ogen te flikkeren als hij ziet hoe zijn twee viltstiftstrepen met een vochtig gemaakte duim worden uitgeveegd. Tot de koffie is ingeschonken, verliest hij Geert-Jan niet uit het oog. Ik ook niet.

‘Breng de koffie maar vast, Bastiaan,’ zegt hij kalm.

Bastiaan aarzelt.

‘Toe maar. Het broodje komt zo.’ Geert-Jan glimlacht heel even naar me.

Bastiaan komt met voorzichtige pasjes terug naar mijn tafeltje.

‘Dat ruikt lekker’, zeg ik, maar mijn woorden dringen niet tot hem door. Hij wordt volledig door zijn werkzaamheden in beslag genomen: het kopje moeten zonder te knoeien van het dienblad op de tafel, en dat is geen sinecure. Als het in goede orde voor me staat, ontsnapt hem een diepe zucht. ‘Lekker, koffie!’ zegt hij en met een steeds weer verrassend brede glimlach toont hij zijn tevredenheid. ‘Je broodje komt zo! Géjé moet ‘m nog maken.’ Ik kijk naar het buffet en Geert-Jan wendt vliegensvlug zijn gezicht af. Ik voel het bloed naar mijn wangen stijgen.

‘Moet jij nou weer zo hard werken?’ vraagt Bastiaan als ik mijn laptop openklap.

‘Ja, Bastiaan, ik moet nou eenmaal studeren. Anders haal ik mijn diploma nooit.’

Hij kijkt me aan. Het heeft weken geduurd voordat hij iets tegen me durfde te zeggen. Zijn mond zakt open en hij krabt aan zijn kin. Dan verschuiven zijn vingers naar zijn achterhoofd waar het gekriebel driftig wordt voortgezet. ‘Is dat moeilijk?’ vraagt hij en maakt een hoofdbeweging richting de lap tekst op mijn scherm. ‘Zo veel letters.’

Net als ik hem wil antwoorden dat het wel meevalt en dat ik liever hier aan mijn scriptie werk dan op mijn zolderkamer, bemoeit Mike zich ermee: ‘Bastiaan, laat dat meissie eens met rust. Ze mot leren. Dat ken je toch zien!’ Hij beent op ons af. ‘Ga d’r broodje nou maar halen. Met een lege buik ken je niet nadenken!’ Vastberaden duwt hij Bastiaan richting het buffet.

En weer zie ik dat Geert-Jan kijkt. Of kijkt hij naar de jongens? Man, ik zou willen dat ik niet zo snel bloosde! Zenuwachtig knoei ik met mijn koffie. Gelukkig niet over mijn laptop, het cadeau van mijn ouders toen ik uiteindelijk toch naar ‘de grote stad’ verhuisde. Ze maken zich zorgen, dat weet ik best. Tot mijn drieëntwintigste woonde ik thuis, in een klein dorp in Overijssel. Toen had ik van mijn verlegenheid niet zo veel last als hier. Daar kennen we elkaar allemaal. Maar het heen en weer reizen was me gaan opbreken. En toen mijn vader zei ‘Simone, het is eigenlijk geen doen én misschien is het wel goed voor je om op jezelf te gaan wonen’ had het me logisch in de oren geklonken. Maar nu, na ruim twee jaar, ken ik nog steeds bijna niemand. Alleen wat medestudenten, maar ik hou niet zo van hun manier van leven. Ze praten alleen maar over uitgaan en zo. Ze keken alsof ze water zagen branden toen ik een keer zei dat ik op zondagmorgen niet mee kon gaan bootcampen omdat ik dan altijd naar de kerk ga. ‘Naar de kérk?’ hadden ze uitgeroepen. Echt, ze dachten dat ik een grapje maakte. Ik denk dat mijn ouders daar ongerust over zijn.

Bastiaan komt weer aanschuifelen. Hij zet voorzichtig het bord voor me op tafel. ‘Eet smakelijk’, zegt hij nauwelijks verstaanbaar.

‘Dank je wel, Bastiaan. Heb je ook bestek voor me?

Bastiaan lijkt te verstenen. ‘Dat moest ik eerder al doen’, fluistert hij. ‘Altijd eerst mes en vork, zegt Géjé.’

‘Dat geeft toch niet. Mijn broodje wordt niet koud. Pak het maar even.’ Mijn woorden lijken hem niet te bereiken.

‘Alsjeblieft. Eet smakelijk.’ Geert-Jan legt een envelop met bestek en servet naast mijn bord. Vreemd, want hij komt zelden of nooit achter het buffet vandaan. Enkel als dat blonde meisje komt, gaat hij er wel eens bij zitten. Een warm gevoel trekt door me heen.

‘Stomme Bastiaan!’ roept Mike. Geert-Jan steekt bestraffend zijn vinger in de lucht. Mike trekt een gezicht. Ik knipoog stiekem naar hem. Ik durf Geert-Jan niet aan te kijken en vergeet hem zelfs te bedanken. Mijn hart bonst. Maar als ik hem zijn arm om Bastiaan heen zie slaan, verdwijnt mijn blijdschap. Hij kwam niet voor mij, maar om Bastiaan te troosten.

Geert-Jan was een van de eerste mensen die ik hier leerde kennen. Bij het koffiedrinken na de dienst stond hij plotseling naast me. Hij is haast nog onzekerder dan ik. Hij stond vlakbij, maar pas na een hele poos zei hij: ‘Je bent nieuw hier, hè?’ Hij heeft de liefste ogen die ik ooit heb gezien. Best stom, ik weet niet meer precies wat voor kleur ze hebben. Maar ik durf niet nog een keer te kijken.

Hij vroeg waar ik woonde en toen bleek hij bij mij om de hoek te werken. ‘Dankbaar werk’, zei hij en maakte me nieuwsgierig.  Zo kwam ik dus hier terecht. Ik vond het zo’n overwinning op mezelf dat ik naar binnen durfde. Pas na de zoveelste keer dat ik langskwam, want toen zag ik hem niet. Daarom had ik het lef. Maar hij was er wel. Hij leek blij me te zien. Denk ik, want hij lachte naar me. Zo rot dat hij nooit wat zegt. Zelf durf ik het niet.

Er staat geen muziek aan. Dat zou de jongens te veel afleiden. Ik mag hier uren zitten op één kopje koffie. Eigenlijk een perfecte plek om te studeren. Als ik maar niet zo vaak weg zou dromen. Ik zou willen dat Geert-Jan eens iets tegen me zou zeggen.

Foto: Ahmed Rabea

Reageren

Reacties

Deel dit verhaal:
MijnKerk.nl

Geschreven door:

Zoeken:

Populaire berichten

Kaarsjes:
Bekijk meer kaarsjes
Steek zelf een kaarsje aan
Kaars