MENUMENU

De Jacobsladder 1/3 ‘Gevangen’

De regen is eindelijk gestopt. De zon piept, zwak en waterig nog, tussen de wolken door. Siem zou het beslist 'een prachtige dag voor de tijd van het jaar' hebben genoemd. Maar de wind is ijzig, hoorde ze net op het nieuws. Hij kruipt vast en zeker onder je jas, hoe vast je het koordje ook om je heupen snoert.

Ze haat de winter die komen gaat. Maandenlang zal hij haar opsluiten, beletten er op uit te gaan. Hoe vastberaden, stijfkoppig haast, ze ook naar buiten kijkt, urenlang de niet-aflatende bedrijvigheid op het rommelige middenterrein gadeslaat, ze zit gevangen in een web vol herinneringen.
Bizar dat die boosheid maar niet wil slijten. Ze weet wel dat hij er niets aan kon doen dat hij zo ziek werd, maar hij had toch niet zo snel hoeven opgeven? Hij had toch iets meer zijn best kunnen doen? Al was het maar voor haar. Maar nee, binnen het jaar gooide hij het bijltje erbij neer, gaf hij de pijp aan Maarten. Met een vermoeid gebaar veegt ze een weerbarstige lok uit haar gezicht.

Na Siems overlijden kwam de schrik. Ze wist dat de kwekerij zware tijden doormaakte, maar had geen idee dat er zoveel schulden waren. De cijfers hadden haar naar adem doen happen. Ze had de incompetente boekhouder onmiddellijk zijn congé gegeven. Nu de zorg voor haar man was weggevallen had ze immers tijd genoeg om die klus zelf te klaren. Al snel had ze ontdekt dat ze niet alle schuld bij de man van de cijfers had mogen leggen. Siem zelf had er een rommeltje van gemaakt. Ze ontvouwt haar strak verstrengelde vingers. Het terugstromende bloed kleurt haar witte knokkels weer roze. Haar nerveuze vingers plukken een paar rossige kattenharen van de leuning van de stoel. Ze zucht. Morgen wordt ze eenenvijftig. Ze verstart, via haar schouders, haar nek, haar rug. Stijfjes staat ze op. Als een oude vrouw.
Vreemd, dat had ze zelf nooit kunnen bedenken, dat ze niet kon huilen om Siem. Geen traan, al zestien maanden en negentien dagen niet. Vroeger jankte ze al om elke kitscherige, ontroerende scène in ‘The Sound of Music’. Elke Kerst weer als het moest. Natuurlijk was ze er voor Alex geweest. Zo vaak als nodig, en meer. Ze had zijn gebroken lijf vastgehouden, gekust, gewiegd. Hij kon wél huilen. Hoe had ze hem benijd om zijn helende tranen. Ze trekt haar vest vast om zich heen, snoert bruusk de ceintuur aan. Boos op Siem, God en de wereld opent ze de keukendeur.
Tussen de grote vrachtwagens door loopt ze naar de kas. De mannen die dag in dag uit karrenvrachten vol bloemen laden, steken ter begroeting een hand op. Vertrouwde gezichten, maar ze gunt ze niet meer dan een stuurs knikje. De karakteristieke geur van honderden, duizenden versgesneden chrysanten dringt haar neus binnen als ze de kas betreedt. Ze snuift. Het frisscherpe aroma prikkelt de trilhaartjes in haar neus. Ze ontspant licht. Hier hoort ze thuis. Dit was hun leven, van Siem en haar.

‘Mam!’ Alex, haar enige reden om ‘s ochtends uit haar bed te komen, stapt het kantoor uit. ‘Mam, ik ben blij je te zien. Ik wilde je wat vragen.’ Zijn groenig verkleurde handen omvatten haar pols.
‘Dag schat.’ Glimlachend houdt ze haar hoofd schuin voor de dagelijkse kus op haar wang.
‘Mam, luister. Rafal …, Rafal Nowak. Je weet wie ik bedoel?’
Ze knikt. Natuurlijk kent ze die blonde krachtpatser. Alex kan soms net doen of ze amper iets weet, nergens benul van heeft. ‘God heeft genezen,’ zegt ze.
Alex kijkt haar aan, verbaasd om haar antwoord.
‘Zijn naam. Rafal. De betekenis van zijn naam. Papa heeft het een keer opgezocht.’ Haar woorden klinken staccato. Siem was nogal van het opzoeken. Feitjes, uit bibliotheekboeken of van Wikipedia. Als het maar letters waren. Was hij maar net zo fanatiek met cijfers geweest, flitst door haar hoofd. Een boosaardige gedachte die ze nauwelijks weet te onderdrukken.
Niet zijn formidabele afmetingen maakten Rafal tot spreekbuis van de Poolse arbeiders; zijn welhaast voorname voorkomen, zijn aangeboren leiderschap dwong bij zijn collega’s respect af. Rafal kwam ruim voordat Siem ziek werd. Een harde werker, altijd als eerste aan de slag en steevast de laatste die stopt. Pas na maanden ontdekten ze de achterliggende reden. Om geld te sparen voor zijn familie sliep hij op een veldbed achter in de kas. De andere Polen hadden er nooit iets van gezegd en ook zijn Nederlandse collega’s hadden zijn geheim niet wereldkundig gemaakt. Nadat Alex goedkoop onderdak in het dorp voor hem geregeld had, kende Rafals loyaliteit geen grenzen meer. Alex was er door gegroeid. Hij presteert opvallend beter op de vloer nu.
‘Sinds papa … nou ja, sinds ik zo veel andere dingen moet regelen, ontbreekt er eigenlijk een goede voorman in de kas. Nou had ik bedacht dat Rafal misschien mijn oude plek in kan nemen.’
Ze aarzelt. De jongens in de kas hebben ontzag voor hem, maar voor de contacten naar buiten lijkt zijn Nederlands me niet goed genoeg.’
Ze schudt haar hoofd.
‘Precies, mam! Daar kom jij in beeld. Zou je hem daarbij kunnen helpen?’

In eerste instantie had ze Alex geantwoord er absoluut geen zin in te hebben om weer voor schooljuf te gaan spelen. Maar toen hij aandrong, haar vertelde dat Rafal in Polen een goede opleiding had genoten en waarschijnlijk een snelle leerling zou zijn, had ze beloofd erover na te denken. Wat afleiding kan misschien geen kwaad. Het zou haar helpen de lange avonden door te komen. Misschien was het zelfs wel leuk om haar kennis weer in praktijk te brengen. Ze had er altijd plezier aan beleefd om de kinderen in haar klas iets bij te brengen; ze was onderwijzeres in hart en nieren. Tot ze, ruim twintig jaar geleden, had besloten Siem bij te staan op zijn bedrijf. Ze had haar baan eraan gegeven.
Ze hadden graag samen kinderen gekregen. Het was hun niet gegeven geweest. Een snelle beweging van haar schouders moet haar laatste gedachte doen verdwijnen. Oud zeer, niet zeuren, haar motto. Hoeveel hield ze niet van Alex? Ze had hem onmiddellijk in haar hart gesloten, het broodmagere mannetje in dat weeshuis in een troosteloze voorstad van Gdansk. Daar, op datzelfde ogenblik, werd Aleksy opnieuw geboren en baarde haar hart Alex, haar zoon.

In gedachten verzonken trekt ze het hek van het kerkhof, waar ze verse chrysanten op het graf heeft gezet, achter zich dicht. De zon verstrooit haar licht door kleine openingen in het wolkendek. Haar stralen raken het water in de sloot achter de kerk. Ze lijken hemel en aarde te verbinden. Een Jacobsladder, denkt ze, een trapje omhoog? Haar gedachten dwalen af. Was het Mozes? Zeker weet ze het niet. Misschien Jacob. Wel logischer. Anders had het wel een Mozesladder geheten, toch? Maakt ook niet uit. Er was iemand geweest die dit adembenemende natuurverschijnsel wel een handig hulpmiddel voor Gods engelen had gevonden, ‘n soort hemelse roltrap. Het KNMI heeft er vast een meer profane verklaring voor.
Niemand is iemand zonder de ander, denkt ze plots. Waar komt die gedachte nou ineens vandaan, vraagt ze zich met verbazing af.
‘Laat hem vanavond maar langskomen’, bromt ze uren later – ze had bij de Slegte lang naar geschikte lesstof gezocht – haar zoon toe, haar hoofd slechts kort om de hoek van de deur.
‘Je bent een kanjer, mam!’ galmt na in haar hoofd als ze naar huis beent.
(wordt vervolgd)

©ConnyHoogendoorn
Uit de bundel ‘Oude vrouwen en de geur van chrysanten’ 2012 Uitgeverij Pamac

Reageren

Reacties

Deel dit verhaal:
MijnKerk.nl

Geschreven door:

Zoeken:

Populaire berichten

Kaarsjes:
Bekijk meer kaarsjes
Steek zelf een kaarsje aan
Kaars