De Jacobsladder 2/3 ‘Herkenning’

Ze is er klaar voor. Wat haar betreft kan hij komen. Amper nog gewend aan mensen over de vloer, had ze vanmiddag rondgekeken in haar huis. Haar stoel had ze al weken geleden vlak voor de haard getrokken. Eenvoudigweg omdat het daar lekker warm was, maar gezellig had het er niet uit gezien.

Terwijl ze hem vastberaden achteruit had willen trekken, had haar blik haar beeltenis in de spiegel boven de haard gevangen. En ze was geschrokken. Was zij echt die vale, trieste vrouw die haar aankeek? De scheiding in haar slappe haar legde genadeloos centimeters brede, grijzige uitgroei bloot. Fletse, diepliggende ogen; haar vroeger zo sensuele mond slechts een smalle streep nog. Haar vingers waren onderzoekend langs haar jukbeenderen gegaan. Toen ze zich wat naar de spiegel had toe gebogen, had haar venusheuvel tegen de rugleuning geschuurd. Als tegen zijn hand, als had hij haar aangeraakt, haar hunkerende lijf. Zijn vingers beroerden haar innerlijk, haar wezen, waren daar waar zij ze had gewenst, de wereld vergeten. Begeerte, verlangen, alle zinnen ooit gezegd. Ze had als verlamd gestaan. Ontredderd. Gezocht, geen woorden gevonden. Verschrompeld, verdwenen, volledig verteerd door haar hunkering. Siem, ben ik met jou gestorven? Haar ijle, haast klankloze woorden leken op te lossen in het niets.
Met een woeste beweging had ze de stoel terug op zijn plek geduwd. Het snerpende geluid, veroorzaakt door de schurende poten over het parket, leek uit haar ziel te komen.

Met een schuchtere glimlach staat hij voor haar deur.
‘Eerst maal dank je. ‘  Hij lacht en reikt haar zijn hand.
Die intense geur, niet met een snelle douche weg te wassen. Het chrysantensap, dag na dag in zijn poriën gedrongen, zoekt een weg naar buiten door zijn huid. Ze herkent het. Alex ruikt ook zo. En Siem. Vroeger. Ze slikt.
‘Kom verder, Rafal.’
Zijn breekbaar-blauwe ogen lachen haar toe.
Eenmaal in de woonkamer kijkt hij om zich heen. ‘Is mooi huis, huis van meneer Siem en u.’
‘Dank je’, antwoordt ze, vrij kort. ‘Wil je koffie?’
In de keuken verwisselt ze de klaarstaande mokken voor twee sierlijke Wedgwood kopjes en glimlacht om haar impuls.

Hoe rijk gevuld was hun bestaan geweest, bruisend van leven. Ze werkten hard, maar met toewijding en plezier. Als beloning was daar het weekend. De zaterdagavond ontspannen met vrienden – van hen of van Alex, haar om het even. De zondag gevuld met de gebruikelijke kerkgang Daarna samen, naar gelang het jaargetijde, bij de haard of in de tuin, dicht bij elkaar, plannen voor later makend. Als Alex de zaak alleen kon drijven, zouden ze gaan reizen, de wereld ontdekken. Misschien wel een camper kopen. Het liep steevast uit op liefdevolle, intense seks. Tot Siem ziek werd. En stierf, zomaar uit haar leven verdween in die onwerkelijke nacht vorig jaar zomer. Geen later meer.
Hun vrienden waren in de loop der tijd steeds langer weg gebleven. Ze kon het hun haar hart niet kwalijk nemen. Hoe moeilijk om vriendschappelijk met haar om te blijven gaan, een houding te bepalen tegenover dat ondoordringbare verdriet, het allesomvattende gemis. Ze kenden haar niet meer. Haar hart was versteend; er zat geen spatje liefde meer in. Alleen de dominee was trouw blijven komen. Tot ze zijn zoetsappige gezemel spuugzat was en hem vierkant de deur had gewezen. Zij kon God zelf wel weer vinden als ze dat ooit nog zou willen, had ze gezegd. Daar had ze hem niet voor nodig. Hij had zijn plicht gedaan en was waarschijnlijk blij geweest met haar botte weigering hem nog langer te ontvangen. Opgelucht had ze hem zien vertrekken.

‘Rafal, wat denk jij? Hoe zullen we …’, haar stem sterft weg, haar voorzichtige glimlach bevriest op haar lippen.
Rafel zit in één van de twee stoelen bij de haard en kijkt haar aan.
‘Iets niet gut?’ vraagt hij, verbaasd om de uitdrukking van schrik in haar ogen.
‘Jawel … ‘, hakkelt ze. ‘Ik was …uh … een beetje verrast. Er zit nooit meer iemand in die stoel.’
Als door een adder gebeten komt hij overeind.
‘Nee, nee. Blijf lekker zitten’, zegt ze ontdaan.
Ze zet het blad op tafel. Haar hand uitnodigend op de stoel gericht, duwt ze met de andere tegen zijn schouder. Hij pakt haar hand. Als hij weer opstaat, betast hij vluchtig de twee tegen elkaar aangeschoven ringen om haar vinger. Zo kort, dat ze zich afvraagt of ze het zich niet verbeeldt.
‘Jij stoel baas’, zegt hij, ‘Ik die.’
Hij duwt haar in de stoel, neemt de kopjes van het blad en zet ze op tafel. Het schaaltje met stroopwafels plaatst hij er nauwkeurig tussen in. Het dienblad gaat tegen de poot van de tafel.
‘Is Hollandse koek’, zegt hij met een grijns en laat zich in haar stoel zakken.
Zijn vriendelijke, zachtmoedige manier van doen raakt een snaar. Een voorzichtige glimlach verzacht de droeve rimpels rond haar mond.
‘Mooi muziek’, zegt hij waarderend en ze knikt.

‘Hoe ging het gisteren, mam?’
Alex loopt mee als Sylvia, na de koffie en het verjaarsgebak, de kantine verlaat. ‘Daar binnen wilde ik het niet vragen.’ Hij kijkt haar onderzoekend aan.
Ze aarzelt. Wat moet ze hem vertellen? Dat Rafal vanavond weer komt? Dat ze er niet van heeft kunnen slapen? Dat ze eindelijk weer het gevoel had dat er warm bloed door haar aderen stroomt in plaats van ijswater?
‘Goed wel’, zegt ze.
Alex lacht. ‘Lekker lang van stof weer, mam.
Ze kijkt hem aan. Aarzelt nog steeds.
‘Vertel eens. Hoe heb je het aangepakt?’
‘Ach, … eerst was het best wel lastig. Zijn Nederlands is inderdaad nog heel beperkt.’ Plotseling lacht ze. ‘Maar we komen er wel uit. Vanavond gaan we verder als hij komt eten.’
‘Komt eten? Op je verjaardag?’
‘Ja, hij is zo vriendelijk! Hij heeft toen we gisteren naar Chopin luisterden – ook een Pool trouwens, wist je dat? – beloofd een specialiteit uit zijn streek voor ons te maken. Maar ik heb een beetje haast, jongen. Ik moet om kwart over elf bij de kapper zijn. Lastige tijd, maar ze hadden op zo’n korte termijn niets anders.’
Ze geeft een stevige ruk aan de ketting naast haar. Ze gunt de roldeur tijd een metertje omhoog te komen en glipt er, meisjesachtig haast, onder door.
‘Waar hebben jullie het over gehad dan?’
‘Polka! Mazurka!’ roept ze, ‘Doe jij hem weer dicht, schat? En o ja, wil je straks even een verse bos voor me snijden? Beetje felgekleurde.’
Zijn mond zakt open. Door het wit uitgeslagen glas van de traag dalende deur staart hij haar na.

(wordt vervolgd)

©ConnyHoogendoorn
Uit de bundel ‘Oude vrouwen en de geur van chrysanten’ 2012 Uitgeverij Pamac

 

Reageren

Reacties

Deel dit verhaal:

Geschreven door:

Zoeken:

Populaire berichten

Kaarsjes:
Bekijk meer kaarsjes
Steek zelf een kaarsje aan
Kaars