MENUMENU

De Jacobsladder 3/3 ‘Thuiskomen’

Ze zoekt haar beeld in de spiegel boven de haard. Opnieuw gaan haar vingers langs haar gezicht. Haar ogen glanzen onder haar zwart-aangezette wimpers. Een gouden glans op haar oogleden accentueert de honingkleurige vlokjes in haar donkere irissen. Haar tong gaat onderzoekend langs haar gestifte lippen, alsof haar mond eraan wennen moet opnieuw vrouwelijkheid uit te stralen.

Met gevorkte vingers duwt ze haar inmiddels weer kastanjebruine haren in model en glimlacht. De pittige coupe bevalt haar. Oud? Welnee, de duvel is oud! In een poging haar gevoelens te negeren, herschikt ze de chrysanten in de vaas op tafel.
Ze hadden gisteravond koffie gedronken. Onwennig eerst nog. Maar de onhandige verlegenheid was verdwenen toen ze hem ‘stroopwafel’ had proberen te laten zeggen. Hun beider lach had de spanning gebroken. Zij had voorgesteld met conversatie te beginnen. Voorlopig nog geen saaie schoolboekjes, eerst proberen een gesprek te voeren. Hij was het er mee eens geweest.
‘Ben je getrouwd? Heb je kinderen?’ had ze gevraagd en was, terwijl ze het vroeg, geschrokken van de intimiteit die er in besloten lag.
Rafal had het echter niet als vrijmoedig opgevat en had zijn portemonnee uit zijn achterzak gehaald. De eerste foto had een tandeloos vrouwtje, dat grijzend in de camera keek, getoond. Zij is pas echt oud, maar heeft zo te zien meer plezier in haar leven dan ik. De gedachte was net zo snel weer verdwenen als hij was opgekomen. Rafal had haar aandacht opgeëist.
‘Mamusia’, had hij vertederd gezegd.
Ze had geglimlacht. Daar hoefde ze geen Pools voor te spreken. Hij lijkt vast meer op zijn vader dan op zijn moeder. Voordat hij hem onder de andere twee had geschoven, had zijn duim de veelvuldig betaste foto gestreeld. De vanzelfsprekendheid van de handeling had haar ontroerd.
Hij had naar de twee – in dikke winterjassen gestoken – kinderen op de tweede foto gewezen. ‘Dawid und Fryderyk. In Lodz is winter koud.’
‘Een tweeling?’ had ze gevraagd en hij had geknikt.
De derde foto had een gezin laten zien. Naast de schriele vrouw, een kind haast nog, had zij hem onmiddellijk herkend. Jaren jonger weliswaar en zijn kin, mond en wangen verstopt achter een ruwe baard, maar onmiskenbaar Rafal. Zijn ogen hadden hem direct verraden. Trots droeg hij, breeduit lachend, in beide armen een baby.
‘Radoslawa toot toen’, zijn stem breekt.
‘Radoslawa …?’ begint ze vragend, maar maakt haar zin niet af.
Hij had geknikt en verteld dat zijn vrouw niet meer van de bevalling hersteld was. Op veertigjarige leeftijd was hij met twee kinderen alleen achtergebleven. Acht jaar geleden dus, rekende ze snel uit; vanmorgen had ze op kantoor in de map met de kopieën van de identiteitsbewijzen van hun medewerkers gekeken en gezien dat ze bijna drie jaar in leeftijd scheelden. Ze had lang naar zijn foto gestaard. De pijn in zijn ogen leek op de hare en was door haar ziel gesneden. Net toen ze meer wilde weten – Wie voor ze zorgde? Wanneer hij ze het laatst gezien had? Of hij ze erg miste? – hadden de zoete pianoklanken van Chopins ‘Barcarolle’ de kamer gevuld. Rafal had zijn hoofd schuin gehouden en zijn wijsvinger parmantig in de lucht gestoken.
‘Chopin … ook Polak’, had hij geglimlacht, blije herkenning in zijn ogen. ‘Fryderyk, heet hij, als mijn Fryderyk.’
Hij had haar woordeloos duidelijk gemaakt dat hij er liever niet over wilde praten en zij had niet verder gevraagd. De avond was prettig verlopen. Haar gewoonlijk zo afstandelijke kater had om hem heen gedraaid, zijn staart verlokkend omhoog. Uiteindelijk was Tommy op Rafals schoot gesprongen. Met een van genoegen kronkelend lijf had hij zich door Rafals brede vingers laten kroelen en was niet meer van zijn zijde geweken.
Niet alleen tussen man en kat was genegenheid ontstaan. Bij gebrek aan de juiste woorden hadden ze het vaak met duidende gebaren en veelzeggende blikken moet doen. Maar zijn warme ogen hadden vaak niet veel woorden nodig gehad om haar te begrijpen. Toen hij had voorgesteld voor haar te koken, had ze ingestemd. Op voorwaarde dat hij geen mevrouw meer zou zeggen, maar haar Sylvia zou noemen.
‘Sylwia’, had hij peinzend gezegd, alsof hij de klank voorzichtig proefde. Zo veel mooier had ze haar naam plotseling gevonden.

Gehurkt, balancerend op haar smalle hakjes, haar hoofd schuin gebogen, gaat ze met haar vinger langs de titels. Met in haar hand een stapeltje cd’s komt ze overeind. Ze denkt terug aan gisteravond. Zal hij dit ook mooi vinden, vraagt ze zich af. Haar blik valt op het portret van Siem en haar adem stokt. Haar bloed lijkt te stollen in haar aderen.
‘Siem …, mijn lief’, fluistert ze.
Ze pakt de foto. De cd’s glijden uit haar hand en kletteren op de vloer. Ze merkt het niet. Traag laat ze zich in de stoel naast het audiomeubel zakken.
‘Siem.’ Opnieuw zijn naam, als een zucht.
Dan, minuten later, legt ze de lijst als in slow motion in haar schoot en pakt haar mobiel. Ze tikt, haar vingers krampachtig gebogen. Ze sms’t Alex dat ze zich plotseling wat grieperig voelt; hij moet straks maar niet komen voor haar verjaardag. Ze vraagt hem ook aan Rafal te zeggen dat ze niet lekker is. De afspraak om samen te eten kan niet doorgaan.
Opnieuw pakt ze de foto. Siems lachende ogen kijken haar aan. Kaarsrecht zit ze, haar handen klemmen om de lijst. Onbeweeglijk. Slechts haar ademhaling doet haar borst haast onzichtbaar bewegen. Ze is als de vrouw van Lot, bedenkt ze zich. Waar komt dat bijbelgedoe toch steeds vandaan, flitst door haar heen. Ze mocht niet achterom kijken anders zou God haar straffen, toch? Haar veranderen in een zoutpilaar. Maar zij, domme, domme vrouw, keek tóch achterom.
Ze heeft geen idee hoe lang ze daar zo zit. Tommy schurkt langs haar been, miauwt klaaglijk, lijkt haar pijn te voelen. Ze merkt het niet. Het herhaaldelijk gebel aan de voordeur gaat volledig aan haar voorbij. Totdat ze opschrikt van een frisscherpe geur. Ze kijkt op. Twee groenig uitgeslagen handen gaan rond haar schouders. Rafal staat voor haar. Hij moet wel door de keukendeur gekomen zijn. Onderzoekend kijkt hij haar aan, zijn ogen groot van bezorgdheid.
‘Sylwia, Sylwia’, fluistert hij.
Verdwaasd kijkt ze hem aan.
‘Rafal …?’
‘Aleksy zeg jij ziek! Ik maak lekker eten jou. Gut?’
Als hij zich bukt om de gevallen cd’s van de vloer te rapen, valt zijn blik op het portret in haar handen en zijn bezorgdheid verandert op slag in liefdevol begrip. Gehurkt, hun ogen op gelijke hoogte, vouwt hij teder haar vingers open, maakt ze los van de lijst. Hij pakt de foto en kijkt er zwijgend naar.
‘Siem, goei baas voor mij …, goei man voor jou’, zegt hij dan.
Even is het stil. Hij lijkt te aarzelen.
‘Maar Siem is dood.’
Ze kijkt hem aan, zijn warmte stroomt door haar heen.
‘Jij niet. Jij zo mooi vandaag. Jij leven. Mooi jong vrouw.’
Zonder haar blik los te laten, zet hij de foto terug op het kastje. Behoedzaam pakt hij haar handen en trekt haar omhoog tot vlak voor zijn borst.
‘Ik zorg jou, maak pierogi, lekker pasteitjes, recept mamusia, voor jou’, fluistert hij terwijl hij haar tegen zich aan drukt, ‘Straks.’
Haar ogen vullen zich met tranen. Hij knikt, lacht haar toe. Dan tilt hij haar op, ze lijkt niets te wegen, en loopt naar haar stoel bij het vuur. Voorzichtig, als ware ze van porselein, neemt hij haar op zijn schoot. Hij wiegt haar, kust haar en houdt haar, o zo stevig, vast als haar pantser uiteindelijk breekt. Tranen stromen over haar wangen. Er lijkt geen einde aan te komen; zoals een dam bezwijkt onder de druk van gestaag opgehoopt water. Steeds weer kust hij haar tranen weg. Als ze snuift trekt Rafal een katoenen doek uit zijn zak. Een echte zakdoek, denkt ze. Ze verbaast zich over haar merkwaardige scherpzinnigheid maar snuit, braaf als een klein meisje, haar neus zodra hij de witte lap er onder vouwt.
‘Rafal …’, fluistert ze. ‘God heeft genezen.’
Hij hoort het niet. Wiegt haar dicht tegen zijn borst.
‘Huil, mijn kleine Sylwia, huil.’
Rafal kust haar haren, zijn grote handen strelen zonder ophouden haar schokkende lichaam.
Het wiegen, de strelingen, zijn krachtige hartslag onder haar oor, het kalmeert haar. En maken haar bewust van zijn mannelijke lijf. Talloze haartjes op haar rug richten zich op als een siddering door haar heen trekt. Even houdt ze haar adem vast. Dan heft ze haar betraande gezicht naar hem op.

©ConnyHoogendoorn

Uit de bundel ‘Oude vrouwen en de geur van chrysanten’ 2012 Uitgeverij Pamac

5 reacties op “De Jacobsladder 3/3 ‘Thuiskomen’
  1. marieke schreef:

    Prachtig taalgebruik, mooi verhaal, neemt je meteen mee. Van mij mogen er meer komen.

    • Conny Hoogendoorn schreef:

      Dank je wel voor je mooie reactie. Ik hoor graag wat jullie ervan vinden. (Een schrijver is immers ook maar een mens 🙂 )

  2. irma schreef:

    Eindelijk heb ik deel 2 en 3 gelezen. Wat een prachtig, ontroerend verhaal. Heel knap hoe alles precies inelkaar schuift. Je hebt echt een prachtige schrijfstijl!

    • Conny schreef:

      Dank je wel, Irma. Zo leuk om te merken dat je het graag gelezen hebt. Ik hoop dat je mijn volgende verhaal “Recht gedaan” ook mooi vindt.

  3. Sanne van Zijl schreef:

    Er zijn in mijn leven best een aantal mensen die ik een Rafal gun.
    Mooi verhaal Conny. De karakters zijn zo helder en herkenbaar dat het is alsof je er zelf bij bent.

Deel dit verhaal:
Auteur van de week

Geschreven door:

Thema: Blog
26 april 2014

5 x gelezen
Kaarsjes:
Bekijk meer kaarsjes
Steek zelf een kaarsje aan
Kaars