Weggestopt 2/2

Vandaag deel 2 van het korte verhaal, waarmee Conny afgelopen zomer de verhalenwedstrijd van Sestra won.

Michael springt over een ondiepe greppel. Spiedend door de dikke mist volgt hij de sporen in het gras. Ze gaan over in de omgespitte kleigrond verderop. Na enkele meters ontwaart hij de kleine Panda. Hij smijt zijn peuk weg en struikelend over zijn eigen benen rent hij zo hard als hij kan ernaartoe.
Zijn uitgestoken armen remmen zijn vaart tegen het dak van het autootje. De motorkap heeft zich om een boom gevouwen. Het verwrongen staal doet hem het ergste vrezen. Hij bukt zich en kijkt door het raam. Een jonge vrouw hangt voorover tegen de airbag. Haar ogen zijn gesloten en onder haar oor ziet hij een bloederige streep. Even deinst hij terug. Leeft ze nog? Geen seconde te verliezen. Hij grijpt de klink en rukt eraan. Niets. Er gebeurt niets. Hij trekt nog een keer, met meer kracht deze keer, maar het portier zit muurvast. Nog een keer, zo hard als hij kan. Geen beweging in te krijgen. Vertwijfeld kijkt hij in het rond. Voor zo ver hij kijken kan, is het hier volledig verlaten.
Ik moet om hulp bellen. 112! Ze moeten komen. Snel! Verrekte snel!
Haastig zoekt hij zijn zakken af, maar hij vindt zijn telefoon niet.
In de wagen! Op de stoel! Daar smeet ik hem neer.
Hij weet niet wat te doen. Dan zet hij zijn voet tegen de Panda, grijpt de deurklink en rukt eraan. Eén keer. Twee keer. Drie keer. Vier! Maar het portier geeft niet mee. Geen millimeter. Hij laat los, buigt zich over de voorruit en ziet dat de jonge vrouw haar ogen geopend heeft.
Godzijdank! Ze leeft!
Ze kijkt hem aan. ‘Help me’, leest hij van haar lippen. Haar blik snijdt als een mes door zijn ziel. De wanhoop in haar ogen maakt dat hij zich klein en nietig voelt.
Die deur moet open. Het moet. Het moet!
Kort wendt hij zijn blik omhoog. ‘Heer, sta me bij.’
Hij loopt om de auto heen. Zijn voeten zakken in de zompige klei. Hoewel onbeschadigd geeft ook het andere portier geen krimp. Op slot, denkt hij en haast zich strompelend weer terug. Dan ziet hij in de akker, niet ver naast de auto, een grote steen. Zijn brede vingers graaien in de klei, werken de steen beetje bij beetje bloot. Heer, sta me bij!
Zijn adem komt met stoten, zijn nagels scheuren, maar eindelijk heeft hij grip. Hij heft hem boven zijn hoofd, maar bedenkt zich op het laatste moment. De splinters zouden haar nog meer kunnen verwonden! Zijn zware lichaam ploegt opnieuw om de auto heen en als een bezetene beukt hij op het raam naast de passagiersstoel. Het spat in duizend stukjes uit elkaar.

Hij bekommert zich niet om de glassplinters als hij de deur ontgrendelt en het portier openrukt.  Steunend op zijn knie buigt hij zich naar de vrouw. ‘Ik ga hulp halen. Mijn telefoon ligt in mijn wagen. Hou vol!’ Hij durft haar niet aan te raken. ‘Hou vol! Ik kom zo snel mogelijk terug.’
Ze kijkt hem aan.
‘Sem’, fluistert ze.
‘Sem? Wie is Sem? Ik zal…’
Traag zakken haar ogen dicht.
‘Blijf erbij, meisje. Blijf erbij!’
Waarom stopt er niemand! Wat moet ik in Godsnaam doen!
Machteloosheid verlamt hem.

Hij gaat terug naar zijn vrachtwagen. Het portret van zijn dochter verschijnt op het scherm als hij zijn telefoon aanzet.
‘Laat haar leven’, mompelt hij. Dan belt hij 112.

Hij had zijn alarmlichten aangezet en was naar de Panda teruggekeerd. Vertwijfeld was hij beurtelings op de passagiersstoel geknield en weer richting de weg gelopen. Passerende auto’s hadden zijn opgeheven arm genegeerd.
Groot was zijn opluchting geweest toen hij eindelijk sirenes had gehoord. Een agent had hem uit de auto getrokken. ‘U kunt hier niets doen, meneer. Beter als u ons niet in de weg loopt’, had hij gezegd, terwijl hij Michael van het wrak wegduwde. De blauwe zwaailichten zwiepten geluidloos door de nevel. Het werden er steeds meer. Ambulancebroeders deden wat ze moesten doen en maakten noodgedwongen ruimte voor de brandweer. Toen de mannen hun hydraulische schaar in stelling brachten, was hij verdwaasd teruggelopen naar zijn truck. Meer wilde hij niet zien.

Opnieuw een zucht. Ze lijken als vanzelf in hem op te wellen. Hij start zijn wagen. De rechterweghelft is afgezet. Als hij langzaam optrekt, lichten reflecterende paaltjes op in het schijnsel van zijn koplampen. Fluoriserend oranje. Zoals die sticker.
‘Sem.’ Met kracht trapt hij op zijn rem. ‘Ze zei Sem!’
Ik moet terug!

Op weg naar het wrak kruist hij de ambulance die even later achter hem met gillende sirene de weg op draait. Een agent verspert hem de weg. ‘U mag hier niet komen, meneer!’
‘Ga opzij, idioot! Ik was hier eerder dan jij!’
Hij heft zijn vuist. ‘Of moet ik je tegen de grond slaan?’ Michael geeft hem een forse duw. ‘Mieter op, man!’
Een paar grote passen, dan bereikt hij de gescalpeerde Panda. Hij buigt zich naar voren en rukt aan de reiswieg die voorover gekanteld tussen de achterbank en voorstoel vastgeklemd zit. Twee, drie rukken slechts en hij schiet los. Michael gooit hem achter zich neer en bukt zich opnieuw. Langzaam loopt de politieman naar hem toe. Michaels hart lijkt even te vergeten hoe het kloppen moet als hij op een lichtgekleurd dekbedje een baby ontwaart. De kleine kijkt hem aan en laat zijn duimpje uit zijn mondje schieten. Michaels inspanningen worden beloond met een ontwapenende glimlach. Een warme gloed stroomt door zijn borst als hij zijn handen omlaag steekt, het hummeltje oppakt en onhandig tegen zich aan klemt. ‘Dag, kleine Sem.’
Even drukt hij het kereltje tegen zijn borst. Dan steekt hij zijn armen uit naar de agent.
‘Hier, pak aan!  Breng hem als de bliksem bij zijn moeder! Ik ga nu naar mijn meisje.’
Met grote stappen beent hij naar zijn truck.

Teruglezen deel 1. 

Reageren

Reacties

Deel dit verhaal:

Geschreven door:

Zoeken:

Populaire berichten

Kaarsjes:
Bekijk meer kaarsjes
Steek zelf een kaarsje aan
Kaars